Hebben of zijn in de voltooide tijd? 🕰️
Meestal hebben: Ik heb gewerkt. Wij hebben gegeten. Zijn bij beweging naar een doel of verandering: Ik ben naar huis gegaan. Hij is verhuisd. Het is gebeurd. Zij is gegroeid. Altijd zijn: zijn (ik ben geweest), blijven (ik ben gebleven), worden (het is geworden), gaan, komen. Tip: leer werkwoorden meteen met hun voltooide vorm: gaan – ging – is gegaan.
26/08/2026 · 35 views
Comments