Skip to content

Dutch vocabulary: Time and dates — word list A1–B1 with examples (2026)

150 Dutch words about time and dates for the integration and NT2 exams, sorted by level (A1–B1), with meaning and an example sentence. Free and printable.

Learn with flashcards

Level A1

58 words

ompreposition

at; around; in order to

De les begint om negen uur.
eennumeral

one

Ik heb één broer en twee zussen.
nuadverb

now

Ik kan nu niet naar huis gaan.
het jaarhet · noun

year

Mijn dochter is tien jaar oud.
de dagde · noun

day

Ik ga iedere dag naar het werk.
tweenumeral

two

Ik heb twee kinderen.
totpreposition

until; to

De winkel is open tot zes uur.
laatadjective

late

Sorry, ik ben te laat.
napreposition

after

Na het eten drinken we koffie.
drienumeral

three

Ik heb drie broers en een zus.
de keerde · noun

time (occurrence)

Ik heb hem maar één keer ontmoet.
het uurhet · noun

hour; o'clock

De film duurt twee uur.
de weekde · noun

week

We gaan eens per week uit eten.
vroegadjective

early

Ik sta elke dag vroeg op.
pasadverb

only; just; not until

De winkel gaat pas om tien uur open.
perpreposition

per; by

Ik kijk twee keer per week televisie.
daarnaadverb

afterwards; then

Eerst werk ik, daarna ga ik boodschappen doen.
viernumeral

four

Volgens mijn uurwerk is het vier uur.
morgenadverb

tomorrow

Morgen ben ik niet op het werk.
vijfnumeral

five

Vijf plus drie is gelijk aan acht.
de avondde · noun

evening

Hij kwam laat in de avond thuis.
tiennumeral

ten

Ik zal hier tot tien uur zijn.
geledenadverb

ago

Ik ben drie jaar geleden naar Nederland gekomen.
de maandde · noun

month

Ik zal hier volgende maand niet zijn.
tijdenspreposition

during

Tijdens het eten las ik een boek.
vandaagadverb

today

Het kan zijn dat hij vandaag komt.
sindspreposition

since

Tom is hier sinds maandag niet geweest.
straksadverb

later; soon; in a moment

Ik denk dat het straks gaat regenen.
ongeveeradverb

about; approximately

Hij is ongeveer even oud als ik.
durenverb

to last; to take (time)

De reis zal ongeveer vijf uur duren.
zesnumeral

six

Ik sta altijd op om zes uur.
de minuutde · noun

minute

Ik kan 50 woorden per minuut typen.
de ochtendde · noun

morning

Ik heb koffie nodig in de ochtend.
wanneeradverb

when

Wanneer kan ik de auto komen halen?
de zomerde · noun

summer

Ik ga elke zomer naar het buitenland.
zevennumeral

seven

Wij zijn zeven dagen per week geopend.
het weekendhet · noun

weekend

Wat zijn je plannen voor het weekend?
het kwarthet · noun

quarter

Het is kwart over drie.
negennumeral

nine

De winkel gaat om negen uur open.
vijftiennumeral

fifteen

Er zijn geen handdoeken in kamer vijftien.
dertignumeral

thirty

De les begint om acht uur dertig.
elfnumeral

eleven

De winkel gaat om elf uur dicht.
zestiennumeral

sixteen

Ik ben zestien jaar oud.
veertiennumeral

fourteen

Twee keer zeven is veertien.
twee uurphrase

two o'clock; two hours

De les begint om twee uur.
de zaterdagavondde · noun

Saturday evening

Op zaterdagavond gaan we vaak uit eten.
tot en metphrase

up to and including; through

Het ticket is geldig tot en met maandag.
zeven uurphrase

seven o'clock

Maak me om zeven uur wakker, alsjeblieft.
vier uurphrase

four o'clock; four hours

Volgens mijn horloge is het vier uur.
vijf uurphrase

five o'clock; five hours

Ik kwam hier aan rond vijf uur.
zes uurphrase

six o'clock; six hours

Ik sta altijd op om zes uur.
tien uurphrase

ten o'clock; ten hours

Ik zal hier tot tien uur zijn.
de kalenderde · noun

calendar

Ze hing de kalender aan de muur.
negen uurphrase

nine o'clock

De winkel gaat om negen uur open.
half negenphrase

half past eight

De les begint om half negen.
tweehonderdnumeral

two hundred

Er waren tweehonderd mensen in de zaal.
half zesphrase

half past five

Ik word 's ochtends om half zes wakker.
half vijfphrase

half past four

De winkel sluit vandaag om half vijf.

Level A2

92 words

de tijdde · noun

time

Het is tijd om op te staan.
toenadverb

then; at that time

Ik woonde toen nog in China.
de nachtde · noun

night

Ik heb vannacht slecht geslapen.
rondpreposition

around; about

Ik ben rond zes uur wakker geworden.
het momenthet · noun

moment

Heb je het druk op het moment?
het aantalhet · noun

number; amount

De stad heeft een groot aantal inwoners.
de eeuwde · noun

century; (pl.) ages

Hij is geboren in de 19e eeuw.
het procenthet · noun

percent

Ik ben het honderd procent met je eens.
meestaladverb

usually; mostly

Ik sta meestal om acht uur op.
gauwadverb

soon; quickly

Hopelijk kan ik gauw naar Australië gaan.
voordatconjunction

before

Laten we gaan voordat het donker wordt.
het miljoenhet · noun

million

Er zijn miljoenen sterren in het universum.
halfadjective

half

We zullen er om half drie zijn.
vorigadjective

last; previous

Ik ben vorig jaar naar Japan gekomen.
de toekomstde · noun

future

Ik wil me op de toekomst richten.
vanavondadverb

tonight; this evening

Ik heb zin in uit eten vanavond.
achtnumeral

eight

Vijf plus drie is gelijk aan acht.
de middagde · noun

afternoon; midday

Ik ben de hele middag thuis.
gisterenadverb

yesterday

Ik heb gisteren mijn haar laten knippen.
eerderadverb

earlier; before; rather

Hebben wij elkaar niet al eerder ontmoet?
honderdnumeral

hundred

Mijn zoon kan nu tot honderd tellen.
twintignumeral

twenty

Kan ik je over twintig minuten terugbellen?
twaalfnumeral

twelve

Ik zat twaalf uur op de trein.
de meterde · noun

meter; gauge

De plank is ongeveer twee meter lang.
de helftde · noun

half

Het werk is voor de helft gedaan.
het nummerhet · noun

number; track

Het nummer van mijn kamer is 5.
de leeftijdde · noun

age

Ik ging op zestigjarige leeftijd met pensioen.
intussenadverb

meanwhile; by now

Ik vrees dat het intussen al te laat is.
vannachtadverb

tonight; last night

De temperatuur was vannacht onder het vriespunt.
dagelijksadjective

daily; every day

Luister jij thuis dagelijks naar de radio?
de periodede · noun

period

In die periode woonde ik in Utrecht.
geborenadjective

born

Ze werd geboren in de jaren vijftig.
de klokde · noun

clock; bell

De klok in de keuken loopt achter.
laatstadverb

recently; last

Wanneer zag je Tom voor het laatst?
gemiddeldadjective

average; on average

Gemiddeld bekijk ik twee films per maand.
tellenverb

to count

Ze kan van een tot tien tellen.
minstensadverb

at least

Hij moet minstens 35 jaar oud zijn.
vijftignumeral

fifty

Er kunnen vijftig mensen in de bus.
tegenwoordigadverb

nowadays; these days

Tegenwoordig kijk ik amper meer tv.
opstaanverb

to get up; to stand up

Je moet om zes uur opstaan.
inmiddelsadverb

meanwhile; by now

Het is inmiddels al tien uur.
vanmiddagadverb

this afternoon

Ik zou je vanmiddag graag willen zien.
jaarlijksadjective

annual; yearly

Het jaarlijkse buurtfeest is altijd in juni.
tachtignumeral

eighty

De bibliotheek is tachtig jaar oud.
eenmaaladverb

once; (nu eenmaal) simply

We komen hier eenmaal per week bijeen.
overdagadverb

during the day

Hij slaapt overdag en werkt 's nachts.
vanmorgenadverb

this morning

Ik ben vanmorgen om zeven uur opgestaan.
anderhalfnumeral

one and a half

De reis naar Utrecht duurt anderhalf uur.
duizendnumeral

thousand

De nieuwe fiets kost bijna duizend euro.
het duizendhet · noun

thousand; (pl.) thousands

Duizenden mensen kwamen naar het concert.
gisteravondadverb

last night; yesterday evening

Heb je gisteravond naar de tv gekeken?
zestignumeral

sixty

Hij is bijna zestig jaar oud.
jarenlangadjective

for years; years-long

Hij heeft jarenlang in Rotterdam gewoond.
achttiennumeral

eighteen

Ik ben achttien jaar oud.
de secondede · noun

second

Wacht even een seconde, ik kom eraan.
vroegeradverb

formerly; used to

Tom had vroeger een hekel aan Boston.
de kerstde · noun

Christmas

Ik ga terug naar huis voor kerst.
binnenkortadverb

soon

Onze zus zal binnenkort bij ons zijn.
de datumde · noun

date

Laten we de datum voor de picknick vaststellen.
'sarticle

of the (in time expressions)

's Morgens drink ik altijd koffie.
de agendade · noun

diary; schedule; agenda

Ik heb een drukke agenda.
op tijdphrase

on time

Ik ben op tijd op school gekomen.
het kerstfeesthet · noun

Christmas (celebration)

We vieren het kerstfeest bij mijn ouders.
voor het eerstphrase

for the first time

Ben je hier voor het eerst?
morgenochtendadverb

tomorrow morning

Ik zie je morgenochtend om negen uur.
het ogenblikhet · noun

moment

Hoe voel je je op het ogenblik?
het kwartierhet · noun

quarter of an hour

Ik heb maar een kwartier.
het halfuurhet · noun

half an hour

De trein vertrekt over een halfuur.
dertiennumeral

thirteen

Tom is nu dertien jaar oud.
vanochtendadverb

this morning

Ik stond vanochtend om zes uur op.
allangadverb

long since; for a long time already

Dat weet ik allang.
veertignumeral

forty

Er zitten veertig leerlingen in onze klas.
negentiennumeral

nineteen

Ik ben negentien jaar oud.
de middernachtde · noun

midnight

Hij belde me op om middernacht.
de morgende · noun

morning; (adv.) tomorrow

Het was een koude morgen in januari.
zeventignumeral

seventy

Het aardoppervlak bestaat voor zeventig procent uit water.
éénnumeral

one

Ik heb hem maar één keer ontmoet.
hoelangadverb

how long

Hoelang heb je op het eiland gewoond?
de feestdagde · noun

public holiday

Ben je bereid om op feestdagen te werken?
de tonde · noun

ton; barrel; 100,000 euros

De vrachtwagen weegt meer dan tien ton.
het voorjaarhet · noun

spring

De bruiloft zal in het voorjaar plaatsvinden.
drie uurphrase

three o'clock; three hours

Ik heb je drie uur geleden gebeld.
voortaanadverb

from now on; henceforth

Laten we voortaan in de ochtend studeren.
minadverb

minus; less

Ik begrijp het min of meer.
het getalhet · noun

number

Weet je het exacte getal nog?
de graadde · noun

degree

Zij heeft een graad in biologie.
urenlangadjective

for hours

Ik heb urenlang naar de zee zitten kijken.
morgenavondadverb

tomorrow evening

Kun je morgenavond om 9 uur?
dagenlangadjective

for days

Hij moest het dagenlang zonder eten doen.
de donderdagavondde · noun

Thursday evening

Op donderdagavond zijn de winkels langer open.
de vrijdagavondde · noun

Friday evening

Op vrijdagavond gaan we vaak uit eten.
twaalf uurphrase

twelve o'clock; twelve hours

Ik zat twaalf uur op de trein.

Other themes

Meanings written with AI assistance · not yet reviewed Level data: NT2Lex (UCLouvain), CC BY-NC-SA 4.0. Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR). Definitions and translations: EUpassway (AI-assisted).