Ruta de inicio A1
Prueba 2: unidades 4–6
Elige el significado de cada palabra. Verás la respuesta enseguida.
La prueba
Tu mejor resultado se guarda en este navegador.
1lekker
2kosten
3de winkel
4de keuken
5de euro
6het vlees
7de kop
8zetten
9danken
10verkopen
1. lekker = tasty
2. kosten = to cost
3. de winkel = shop
4. de keuken = kitchen
5. de euro = euro
6. het vlees = meat
7. de kop = cup, mug
8. zetten = to put
9. danken = to thank
10. verkopen = to sell