Studievertraging is geen mislukking Wie tegenwoordig een hogeschool of universiteit binnenloopt, hoort vooral één woord: rendement. Opleidingen worden beoordeeld op het percentage studenten dat binnen de officiële studieduur een diploma haalt, en studenten krijgen vanaf de eerste week te horen dat ze 'op schema' moeten blijven. Een extra jaar geldt al snel als een teken van falen. Ik vind dat een zorgwekkende ontwikkeling. Natuurlijk begrijp ik waarom instellingen op snelheid sturen. Onderwijs kost de samenleving veel geld, en een student die jaren blijft hangen zonder vooruitgang, heeft daar zelf ook weinig aan. Bovendien lenen veel studenten voor hun studie; elk extra jaar betekent een hogere schuld. Die argumenten wil ik niet wegwuiven. Toch gaat er iets mis wanneer snelheid het belangrijkste doel wordt. Als docent zie ik elk jaar studenten die een bestuursfunctie bij hun studievereniging laten schieten, geen stage in het buitenland durven te doen en nooit een vak buiten hun eigen richting kiezen. Niet omdat het hen niet interesseert, maar omdat het 'vertraging' kan opleveren. Juist die ervaringen maken van een student een zelfstandig denkend mens. Werkgevers vragen daar ook om: in vrijwel elke vacature staan woorden als initiatief, samenwerken en breed kijken. Daarnaast heeft de voortdurende druk gevolgen voor het welzijn van studenten. Wie bij elk tentamen het gevoel heeft dat zijn hele toekomst op het spel staat, leert niet beter, maar angstiger. Een student die durft te twijfelen en eens een verkeerde keuze te maken, ontdekt vaak juist daardoor wat hij echt wil. Wat moet er dan veranderen? In de eerste plaats zouden opleidingen niet langer moeten worden afgerekend op het aantal studenten dat 'nominaal' afstudeert. Een betere maatstaf is of afgestudeerden na een paar jaar een passende baan hebben en tevreden terugkijken op hun opleiding. In de tweede plaats moeten studieadviseurs een extra jaar niet automatisch als probleem behandelen, maar samen met de student bekijken wat dat jaar kan opleveren. Ik pleit dus niet voor eindeloos studeren. Een studie zonder richting helpt niemand. Maar tussen doelloos rondhangen en een race tegen de klok ligt een groot gebied, en daar vindt het echte leren plaats. Laten we studenten de ruimte geven om dat gebied te verkennen. Marieke Doornbos is docent bedrijfskunde aan een hogeschool.
Lectura
Practica Reading para el Staatsexamen NT2 B2 (2026) — gratis
Practica B2 Reading gratis: 10 preguntas de ejemplo con respuestas y explicaciones, más 216 preguntas en series de práctica completas. Datos oficiales sobre formato, duración, puntuación y fechas, con fuentes.
Datos del examen: formato, duración, calificación, coste, fechas
Lezen (Staatsexamen NT2 B2 (programa II)): Textos en un cuadernillo de papel; respondes en el ordenador
- Duración: 100 min
- Puntuación: Corrección por ordenador; 1 punto por respuesta correcta; aprobado con ≥ 500
- Coste: 50 € por parte, 200 € por las cuatro. Reembolso completo si cancelas al menos 4 semanas antes del examen. fuente
- Resultado: Unas 5 semanas. Cada fecha de examen tiene una fecha de resultado fija en Mijn DUO (desde las 15:00), también por correo electrónico y correo postal.
- Próximas fechas de examen: 24 de noviembre de 2026, 19 de enero de 2027 · todas las fechas
10 preguntas de ejemplo con respuestas
Redactado con ayuda de IA · aún sin revisar por un profesor Son preguntas de práctica al estilo del examen, no preguntas reales del examen.
Toca una respuesta para ver la explicación al momento.
Minder dagen, niet minder werk Het klinkt als een droom: vier dagen werken, drie dagen vrij, en toch hetzelfde salaris. In het buitenland zijn de afgelopen jaren proeven gedaan waarbij bedrijven hun medewerkers een vierdaagse werkweek gaven zonder dat zij salaris hoefden in te leveren. De resultaten waren opvallend positief: medewerkers waren minder vaak ziek, voelden zich uitgeruster en de productie bleef vrijwel gelijk. Geen wonder dat ook in Nederland steeds vaker wordt gepleit voor zo'n werkweek voor iedereen. Ik begrijp het enthousiasme, maar ik vind het te vroeg om te juichen. Om te beginnen deden aan die proeven vooral kantoorbedrijven mee die zich zelf hadden aangemeld. Dat zijn organisaties waarvan de leiding al overtuigd was van het idee en waar het werk zich goed laat inkorten: minder vergaderen, minder mailen, en klaar. Of hetzelfde lukt in een ziekenhuis, een school of een distributiecentrum, weet niemand. Een verpleegkundige kan niet in vier dagen dezelfde zorg geven als in vijf; de patiënt ligt er op vrijdag ook. Daar komt bij dat Nederland een bijzondere positie heeft. Nergens in Europa werken zoveel mensen in deeltijd als hier. Voor veel werknemers, vooral vrouwen, is een werkweek van drie of vier dagen allang normaal. Zij krijgen daarvoor ook minder betaald. Als nu alleen voltijders met behoud van salaris een vrije dag cadeau krijgen, wordt die ongelijkheid eerder groter dan kleiner. En in sectoren waar al grote personeelstekorten zijn, zoals de zorg en het onderwijs, zou een kortere werkweek het probleem alleen maar vergroten. Toch zit er in de discussie een kern die we serieus moeten nemen. Veel mensen ervaren hun werk als te vol en te versnipperd. Dat probleem los je niet op door het rooster anders in te delen, wel door kritisch te kijken naar wat er op een werkdag gebeurt. Hoeveel vergaderingen zijn echt nodig? Hoeveel rapporten worden door niemand gelezen? Organisaties die dat eerlijk onderzoeken, winnen tijd, of ze die nu teruggeven als vrije dag of als rustiger werkdagen. Mijn voorstel is daarom bescheidener dan dat van de voorstanders. Laat werkgevers en werknemers per organisatie afspreken hoe zij met tijd omgaan, in plaats van één model voor het hele land te willen invoeren. Voor het ene team is een vaste vrije vrijdag ideaal, voor het andere zijn kortere dagen beter, en in de zorg is misschien iets heel anders nodig, zoals minder administratie. Wie de vierdaagse werkweek als oplossing voor alles verkoopt, maakt het juist de sectoren die het meest onder druk staan moeilijker. Kortom: de vraag is niet hoeveel dagen we werken, maar hoe we die dagen gebruiken. Ruud Verhagen is arbeidseconoom.
Wat is het belangrijkste standpunt van de schrijver?
Gratis retourneren is niet gratis Een broek in drie maten bestellen en de twee die niet passen terugsturen: voor veel consumenten is het de normaalste zaak van de wereld. Webwinkels hebben ons geleerd dat retourneren niets kost en geen moeite is. De pakketbezorger haalt het zelfs aan huis op. Het wordt tijd dat we daarmee stoppen. Gratis retourneren zou moeten verdwijnen. Laat ik vooropstellen dat het recht om een online aankoop terug te sturen een goed recht is. Wie in een webwinkel koopt, kan een product niet vasthouden, passen of uitproberen. De wet geeft consumenten daarom veertien dagen bedenktijd, en daar wil ik niet aan tornen. Waar ik op tegen ben, is niet het recht om te retourneren, maar het idee dat dat niets mag kosten. Want kosten zijn er wel degelijk, alleen betaalt de klant ze niet direct. Elk retourpakket wordt opnieuw vervoerd, gecontroleerd, soms opnieuw verpakt en opgeslagen. Een aanzienlijk deel van de geretourneerde kleding kan niet meer als nieuw worden verkocht en wordt afgeprijsd, naar het buitenland verscheept of zelfs vernietigd. Die kosten verwerken webwinkels in hun prijzen. De klant die zorgvuldig kiest en zelden iets terugstuurt, betaalt zo mee voor de klant die standaard drie maten bestelt. Daarnaast is er de schade aan het milieu: extra bestelbusjes in woonwijken, extra verpakkingsmateriaal, extra kilometers. Juist bij kleding, een sector die toch al een grote milieu-impact heeft, is dat moeilijk te verdedigen. Tegenstanders zeggen dat kleine webwinkels het nooit zullen winnen van de grote spelers als zij voor retourneren laten betalen. Klanten kiezen dan voor de winkel die het wél gratis aanbiedt. Dat argument is terecht, en het laat vooral zien dat een individuele winkel dit niet alleen kan oplossen. Daarom zou het een afspraak voor de hele branche moeten zijn, of desnoods een wettelijke regel: een klein, vast bedrag per retour, bijvoorbeeld twee euro, voor alle webwinkels. Dat is genoeg om consumenten te laten nadenken, en te weinig om iemand die echt een verkeerd product heeft ontvangen te benadelen. Voor beschadigde of verkeerd geleverde producten blijft retourneren uiteraard kosteloos. Ik verwacht niet dat een klein bedrag het probleem helemaal oplost. Maar de ervaringen van webwinkels die nu al een retourbijdrage vragen, laten zien dat klanten dan beter lezen, vaker de maattabel raadplegen en minder 'voor de zekerheid' bestellen. Dat is precies het gedrag dat we nodig hebben. Gemak heeft een prijs. Het is eerlijker als we die zelf zien, in plaats van dat die verborgen blijft in de prijs van alles wat we kopen. Femke Hoogland is onderzoeker duurzame logistiek.
Wat is het standpunt van de schrijver?
Contant geld verdient bescherming Wie vandaag in een café met een briefje van twintig wil afrekenen, krijgt steeds vaker te horen dat dat 'helaas niet kan'. Steeds meer winkels, musea en zelfs gemeentebalies accepteren alleen nog pinbetalingen. Voor de meeste mensen is dat geen probleem: zij betalen allang met hun pas of hun telefoon. Toch is het een ontwikkeling die we niet zomaar moeten laten gebeuren. Contant geld moet een betaalmiddel blijven dat iedereen kan gebruiken. Ik begrijp heel goed waarom ondernemers liever geen contant geld aannemen. Het tellen van de kassa kost tijd, geld naar de bank brengen is duur en een kassa vol biljetten trekt inbrekers aan. Pinnen is voor hen sneller, veiliger en vaak ook goedkoper. Het zou oneerlijk zijn om dat te ontkennen. Maar betalen is niet alleen een zaak van ondernemers. Honderdduizenden Nederlanders vinden digitaal betalen lastig. Het gaat om ouderen die slecht zien of de nieuwste app niet begrijpen, om mensen met een verstandelijke beperking en om mensen die nauwelijks kunnen lezen. Voor hen is een portemonnee met munten en briefjes overzichtelijk: je ziet wat je hebt en wat je uitgeeft. Om dezelfde reden werken budgetcoaches graag met contant geld als zij mensen met schulden begeleiden. Wie elke week een vast bedrag in een envelop doet, houdt beter grip op zijn uitgaven dan wie alleen een saldo op een scherm ziet. Daar komt bij dat een betaalsysteem dat volledig digitaal is, kwetsbaar is. Bij een storing bij een bank of een uitval van het netwerk kan niemand meer iets kopen. Dat is geen theoretisch gevaar: de afgelopen jaren lag het pinnen in winkels meer dan eens urenlang stil. Wie dan nog contant geld bij zich had, kon gewoon boodschappen doen. Voorstanders van een samenleving zonder contant geld wijzen erop dat criminelen graag met grote biljetten werken. Dat klopt, maar het is een argument om toezicht te houden op grote contante betalingen, niet om de boodschappen van een gepensioneerde weduwe onmogelijk te maken. Voor grote contante aankopen gelden bovendien nu al strenge regels. Wat moet er dan gebeuren? De overheid zou wettelijk moeten vastleggen dat winkels voor dagelijkse boodschappen, apotheken en overheidsloketten contant geld blijven accepteren. Ondernemers kunnen daarvoor een redelijke vergoeding krijgen, zodat zij niet alleen voor de kosten opdraaien. En banken moeten ervoor zorgen dat er in elke woonkern een geldautomaat in de buurt blijft. Natuurlijk zal het aandeel contante betalingen blijven dalen, en dat is prima. Het gaat er niet om dat iedereen weer met munten moet gaan betalen. Het gaat erom dat niemand buitengesloten wordt omdat hij dat liever wel doet. Hanneke Verbeek is beleidsadviseur bij een ouderenorganisatie.
Welke opvatting verdedigt de schrijver in dit artikel?
Ook in de pauze hoort de telefoon in het kluisje Sinds een paar jaar geldt op middelbare scholen de afspraak dat mobiele telefoons in principe niet in de klas worden gebruikt. De eerste ervaringen zijn positief: docenten melden dat leerlingen beter opletten en dat er minder onrust in de les is. Veel scholen laten het daarbij. Zodra de bel gaat, verschijnen de schermen weer. Dat is een gemiste kans. Wat mij betreft blijft de telefoon de hele schooldag in het kluisje. Ik weet dat dit voorstel op weerstand stuit, en niet alleen bij leerlingen. Ouders willen hun kind kunnen bereiken, bijvoorbeeld als een afspraak verandert. Dat begrijp ik, maar het is een probleem dat eenvoudig op te lossen is. Elke school heeft een telefoonnummer en een administratie die berichten kan doorgeven. Dat werkte jarenlang prima, en dat kan weer. De pauze is geen lege tijd die met een scherm moet worden gevuld. Het is het moment waarop jongeren leren met elkaar om te gaan: een gesprek beginnen, een ruzie bijleggen, iemand die alleen staat erbij halen. Wie de aula van een gemiddelde school binnenloopt, ziet vaak iets anders: tientallen leerlingen naast elkaar, elk met het hoofd gebogen over een eigen scherm. Ze zijn samen, maar niet met elkaar. Scholen die de telefoon ook in de pauze hebben verboden, vertellen opvallend vergelijkbare verhalen. In de eerste weken wordt er gemopperd. Daarna gebeurt er iets wat niemand had verwacht: er wordt weer getafeltennist, gekletst en gelachen. Leerlingen die eerder in hun telefoon verdwenen, sluiten zich aan bij een groepje. Een directeur vertelde mij dat ook het aantal pestincidenten daalde, omdat er minder stiekem werd gefilmd en gedeeld. Critici zeggen dat de school jongeren juist moet leren verstandig met hun telefoon om te gaan, in plaats van hem weg te stoppen. Daar ben ik het gedeeltelijk mee eens. Mediawijsheid hoort in het lesprogramma: leerlingen moeten weten hoe algoritmes werken en hoe ze nepnieuws herkennen. Maar dat leer je niet door de hele pauze te scrollen, net zoals je niet leert gezond te eten door de hele dag snoep binnen handbereik te hebben. Natuurlijk zijn er uitzonderingen nodig. Een leerling met diabetes die zijn bloedsuiker via een app controleert, moet zijn telefoon bij zich kunnen houden. Zulke afspraken kunnen scholen per leerling maken. Het gaat niet om een strijd tegen techniek. Het gaat om de vraag welke plek we de telefoon geven. Thuis beslissen ouders daar zelf over. Op school, een plek die bedoeld is om te leren en elkaar te ontmoeten, mag die plek wat mij betreft het kluisje zijn. Mark de Ruiter is docent maatschappijleer in Zwolle.
Wat vindt de schrijver van het gebruik van telefoons op school?
Bouw de stad omhoog, niet het weiland in Nederland heeft de komende jaren honderdduizenden nieuwe woningen nodig. Over die noodzaak is vrijwel iedereen het eens. Over de vraag wáár die woningen moeten komen, wordt des te feller gediscussieerd. Steeds vaker klinkt de roep om op grote schaal te bouwen in de weilanden rond de steden, omdat dat sneller en goedkoper zou zijn. Ik denk dat dat een vergissing is. De meeste nieuwe woningen horen binnen de bestaande steden en dorpen, en daarvoor zullen we hoger moeten bouwen. Laat ik eerlijk zijn: bouwen in de wei heeft voordelen. De grond is vaak goedkoper, er hoeven geen bewoners tijdelijk te verhuizen en een aannemer kan op een lege kavel efficiënt werken. Een rijtjeshuis met tuin is bovendien precies wat veel gezinnen willen. Wie dat wegwuift, neemt de woonwensen van mensen niet serieus. Toch is het voordeel kleiner dan het lijkt. Een nieuwe wijk in het weiland heeft wegen, riolering, scholen, winkels en vaak een nieuwe aansluiting op het openbaar vervoer nodig. Die kosten worden in de eerste berekeningen vaak onderschat en komen uiteindelijk voor rekening van de gemeente, en dus van de belastingbetaler. Bovendien blijven veel van zulke wijken jarenlang afhankelijk van de auto, omdat een busverbinding pas rendabel is als er genoeg mensen wonen. Wat goedkoop begint, wordt zo duur in onderhoud en files. In de stad liggen die voorzieningen er al. Op verouderde bedrijventerreinen, rond stations en boven winkels is nog veel ruimte. Wie daar bouwt, versterkt bovendien het draagvlak voor bestaande voorzieningen: een buurtsuper, een bibliotheek of een buslijn blijft eerder bestaan als er meer mensen in de buurt wonen. Het bekendste bezwaar is dat hoogbouw onprettig zou zijn om in te wonen. Dat hangt echter sterk af van de manier waarop er wordt gebouwd. Een woontoren van twintig verdiepingen op een winderig plein, zonder groen of ontmoetingsplek, is inderdaad geen aantrekkelijk vooruitzicht. Maar gebouwen van zes tot tien lagen, met een binnentuin, een gemeenschappelijke ruimte en voorzieningen op de begane grond, kunnen prettige en levendige buurten opleveren. In veel Europese steden is dat de normaalste zaak van de wereld. Dat betekent niet dat er nooit meer een huis buiten de stad mag worden gebouwd. Kleine uitbreidingen aan de rand van dorpen kunnen zinvol zijn, juist om die dorpen leefbaar te houden. Maar wie grote aantallen woningen wil bouwen zonder het landschap op te offeren en zonder de rekening door te schuiven naar de toekomst, moet de bestaande stad als vertrekpunt nemen. Het weiland lijkt de makkelijke oplossing. Op de lange termijn is het de duurste. Ingrid Mulder is stedenbouwkundige.
Wat is de kern van het betoog van de schrijver?
Studievertraging is geen mislukking Wie tegenwoordig een hogeschool of universiteit binnenloopt, hoort vooral één woord: rendement. Opleidingen worden beoordeeld op het percentage studenten dat binnen de officiële studieduur een diploma haalt, en studenten krijgen vanaf de eerste week te horen dat ze 'op schema' moeten blijven. Een extra jaar geldt al snel als een teken van falen. Ik vind dat een zorgwekkende ontwikkeling. Natuurlijk begrijp ik waarom instellingen op snelheid sturen. Onderwijs kost de samenleving veel geld, en een student die jaren blijft hangen zonder vooruitgang, heeft daar zelf ook weinig aan. Bovendien lenen veel studenten voor hun studie; elk extra jaar betekent een hogere schuld. Die argumenten wil ik niet wegwuiven. Toch gaat er iets mis wanneer snelheid het belangrijkste doel wordt. Als docent zie ik elk jaar studenten die een bestuursfunctie bij hun studievereniging laten schieten, geen stage in het buitenland durven te doen en nooit een vak buiten hun eigen richting kiezen. Niet omdat het hen niet interesseert, maar omdat het 'vertraging' kan opleveren. Juist die ervaringen maken van een student een zelfstandig denkend mens. Werkgevers vragen daar ook om: in vrijwel elke vacature staan woorden als initiatief, samenwerken en breed kijken. Daarnaast heeft de voortdurende druk gevolgen voor het welzijn van studenten. Wie bij elk tentamen het gevoel heeft dat zijn hele toekomst op het spel staat, leert niet beter, maar angstiger. Een student die durft te twijfelen en eens een verkeerde keuze te maken, ontdekt vaak juist daardoor wat hij echt wil. Wat moet er dan veranderen? In de eerste plaats zouden opleidingen niet langer moeten worden afgerekend op het aantal studenten dat 'nominaal' afstudeert. Een betere maatstaf is of afgestudeerden na een paar jaar een passende baan hebben en tevreden terugkijken op hun opleiding. In de tweede plaats moeten studieadviseurs een extra jaar niet automatisch als probleem behandelen, maar samen met de student bekijken wat dat jaar kan opleveren. Ik pleit dus niet voor eindeloos studeren. Een studie zonder richting helpt niemand. Maar tussen doelloos rondhangen en een race tegen de klok ligt een groot gebied, en daar vindt het echte leren plaats. Laten we studenten de ruimte geven om dat gebied te verkennen. Marieke Doornbos is docent bedrijfskunde aan een hogeschool.
Wat doet de schrijver in de tweede alinea ('Natuurlijk begrijp ik …')?
Minder dagen, niet minder werk Het klinkt als een droom: vier dagen werken, drie dagen vrij, en toch hetzelfde salaris. In het buitenland zijn de afgelopen jaren proeven gedaan waarbij bedrijven hun medewerkers een vierdaagse werkweek gaven zonder dat zij salaris hoefden in te leveren. De resultaten waren opvallend positief: medewerkers waren minder vaak ziek, voelden zich uitgeruster en de productie bleef vrijwel gelijk. Geen wonder dat ook in Nederland steeds vaker wordt gepleit voor zo'n werkweek voor iedereen. Ik begrijp het enthousiasme, maar ik vind het te vroeg om te juichen. Om te beginnen deden aan die proeven vooral kantoorbedrijven mee die zich zelf hadden aangemeld. Dat zijn organisaties waarvan de leiding al overtuigd was van het idee en waar het werk zich goed laat inkorten: minder vergaderen, minder mailen, en klaar. Of hetzelfde lukt in een ziekenhuis, een school of een distributiecentrum, weet niemand. Een verpleegkundige kan niet in vier dagen dezelfde zorg geven als in vijf; de patiënt ligt er op vrijdag ook. Daar komt bij dat Nederland een bijzondere positie heeft. Nergens in Europa werken zoveel mensen in deeltijd als hier. Voor veel werknemers, vooral vrouwen, is een werkweek van drie of vier dagen allang normaal. Zij krijgen daarvoor ook minder betaald. Als nu alleen voltijders met behoud van salaris een vrije dag cadeau krijgen, wordt die ongelijkheid eerder groter dan kleiner. En in sectoren waar al grote personeelstekorten zijn, zoals de zorg en het onderwijs, zou een kortere werkweek het probleem alleen maar vergroten. Toch zit er in de discussie een kern die we serieus moeten nemen. Veel mensen ervaren hun werk als te vol en te versnipperd. Dat probleem los je niet op door het rooster anders in te delen, wel door kritisch te kijken naar wat er op een werkdag gebeurt. Hoeveel vergaderingen zijn echt nodig? Hoeveel rapporten worden door niemand gelezen? Organisaties die dat eerlijk onderzoeken, winnen tijd, of ze die nu teruggeven als vrije dag of als rustiger werkdagen. Mijn voorstel is daarom bescheidener dan dat van de voorstanders. Laat werkgevers en werknemers per organisatie afspreken hoe zij met tijd omgaan, in plaats van één model voor het hele land te willen invoeren. Voor het ene team is een vaste vrije vrijdag ideaal, voor het andere zijn kortere dagen beter, en in de zorg is misschien iets heel anders nodig, zoals minder administratie. Wie de vierdaagse werkweek als oplossing voor alles verkoopt, maakt het juist de sectoren die het meest onder druk staan moeilijker. Kortom: de vraag is niet hoeveel dagen we werken, maar hoe we die dagen gebruiken. Ruud Verhagen is arbeidseconoom.
Waarom zeggen de buitenlandse proeven volgens de schrijver weinig over bijvoorbeeld ziekenhuizen?
Gratis retourneren is niet gratis Een broek in drie maten bestellen en de twee die niet passen terugsturen: voor veel consumenten is het de normaalste zaak van de wereld. Webwinkels hebben ons geleerd dat retourneren niets kost en geen moeite is. De pakketbezorger haalt het zelfs aan huis op. Het wordt tijd dat we daarmee stoppen. Gratis retourneren zou moeten verdwijnen. Laat ik vooropstellen dat het recht om een online aankoop terug te sturen een goed recht is. Wie in een webwinkel koopt, kan een product niet vasthouden, passen of uitproberen. De wet geeft consumenten daarom veertien dagen bedenktijd, en daar wil ik niet aan tornen. Waar ik op tegen ben, is niet het recht om te retourneren, maar het idee dat dat niets mag kosten. Want kosten zijn er wel degelijk, alleen betaalt de klant ze niet direct. Elk retourpakket wordt opnieuw vervoerd, gecontroleerd, soms opnieuw verpakt en opgeslagen. Een aanzienlijk deel van de geretourneerde kleding kan niet meer als nieuw worden verkocht en wordt afgeprijsd, naar het buitenland verscheept of zelfs vernietigd. Die kosten verwerken webwinkels in hun prijzen. De klant die zorgvuldig kiest en zelden iets terugstuurt, betaalt zo mee voor de klant die standaard drie maten bestelt. Daarnaast is er de schade aan het milieu: extra bestelbusjes in woonwijken, extra verpakkingsmateriaal, extra kilometers. Juist bij kleding, een sector die toch al een grote milieu-impact heeft, is dat moeilijk te verdedigen. Tegenstanders zeggen dat kleine webwinkels het nooit zullen winnen van de grote spelers als zij voor retourneren laten betalen. Klanten kiezen dan voor de winkel die het wél gratis aanbiedt. Dat argument is terecht, en het laat vooral zien dat een individuele winkel dit niet alleen kan oplossen. Daarom zou het een afspraak voor de hele branche moeten zijn, of desnoods een wettelijke regel: een klein, vast bedrag per retour, bijvoorbeeld twee euro, voor alle webwinkels. Dat is genoeg om consumenten te laten nadenken, en te weinig om iemand die echt een verkeerd product heeft ontvangen te benadelen. Voor beschadigde of verkeerd geleverde producten blijft retourneren uiteraard kosteloos. Ik verwacht niet dat een klein bedrag het probleem helemaal oplost. Maar de ervaringen van webwinkels die nu al een retourbijdrage vragen, laten zien dat klanten dan beter lezen, vaker de maattabel raadplegen en minder 'voor de zekerheid' bestellen. Dat is precies het gedrag dat we nodig hebben. Gemak heeft een prijs. Het is eerlijker als we die zelf zien, in plaats van dat die verborgen blijft in de prijs van alles wat we kopen. Femke Hoogland is onderzoeker duurzame logistiek.
Wat doet de schrijver in de tweede alinea ('Laat ik vooropstellen …')?
Contant geld verdient bescherming Wie vandaag in een café met een briefje van twintig wil afrekenen, krijgt steeds vaker te horen dat dat 'helaas niet kan'. Steeds meer winkels, musea en zelfs gemeentebalies accepteren alleen nog pinbetalingen. Voor de meeste mensen is dat geen probleem: zij betalen allang met hun pas of hun telefoon. Toch is het een ontwikkeling die we niet zomaar moeten laten gebeuren. Contant geld moet een betaalmiddel blijven dat iedereen kan gebruiken. Ik begrijp heel goed waarom ondernemers liever geen contant geld aannemen. Het tellen van de kassa kost tijd, geld naar de bank brengen is duur en een kassa vol biljetten trekt inbrekers aan. Pinnen is voor hen sneller, veiliger en vaak ook goedkoper. Het zou oneerlijk zijn om dat te ontkennen. Maar betalen is niet alleen een zaak van ondernemers. Honderdduizenden Nederlanders vinden digitaal betalen lastig. Het gaat om ouderen die slecht zien of de nieuwste app niet begrijpen, om mensen met een verstandelijke beperking en om mensen die nauwelijks kunnen lezen. Voor hen is een portemonnee met munten en briefjes overzichtelijk: je ziet wat je hebt en wat je uitgeeft. Om dezelfde reden werken budgetcoaches graag met contant geld als zij mensen met schulden begeleiden. Wie elke week een vast bedrag in een envelop doet, houdt beter grip op zijn uitgaven dan wie alleen een saldo op een scherm ziet. Daar komt bij dat een betaalsysteem dat volledig digitaal is, kwetsbaar is. Bij een storing bij een bank of een uitval van het netwerk kan niemand meer iets kopen. Dat is geen theoretisch gevaar: de afgelopen jaren lag het pinnen in winkels meer dan eens urenlang stil. Wie dan nog contant geld bij zich had, kon gewoon boodschappen doen. Voorstanders van een samenleving zonder contant geld wijzen erop dat criminelen graag met grote biljetten werken. Dat klopt, maar het is een argument om toezicht te houden op grote contante betalingen, niet om de boodschappen van een gepensioneerde weduwe onmogelijk te maken. Voor grote contante aankopen gelden bovendien nu al strenge regels. Wat moet er dan gebeuren? De overheid zou wettelijk moeten vastleggen dat winkels voor dagelijkse boodschappen, apotheken en overheidsloketten contant geld blijven accepteren. Ondernemers kunnen daarvoor een redelijke vergoeding krijgen, zodat zij niet alleen voor de kosten opdraaien. En banken moeten ervoor zorgen dat er in elke woonkern een geldautomaat in de buurt blijft. Natuurlijk zal het aandeel contante betalingen blijven dalen, en dat is prima. Het gaat er niet om dat iedereen weer met munten moet gaan betalen. Het gaat erom dat niemand buitengesloten wordt omdat hij dat liever wel doet. Hanneke Verbeek is beleidsadviseur bij een ouderenorganisatie.
Wat doet de schrijver in de tweede alinea ('Ik begrijp heel goed …')?
Todas las series de práctica
Sigue practicando
No te pierdas ninguna fecha límite de inscripción
Recordatorio gratuito por correo 14 y 3 días antes de cada fecha límite de inscripción al Staatsexamen NT2. Sin boletín ni anuncios; date de baja con un clic.