Saltar al contenido

Vocabulario de neerlandés: Work — lista de palabras A1–B1 con ejemplos (2026)

150 palabras en neerlandés sobre trabajo para los exámenes de integración y el NT2, ordenadas por nivel (A1–B1), con significado y frase de ejemplo. Gratis e imprimible.

Nivel A1

12 palabras

werkenverb

to work

Ik vind het fijn hier te werken.
het werkhet · noun

work; job

Ik ga elke dag met de fiets naar mijn werk.
zoekenverb

to look for; to search

Ik ben een baan aan het zoeken.
de baasde · noun

boss

Ik moet mijn baas om vrij vragen.
drukadjective

busy; crowded

Ik weet dat je het druk hebt.
armadjective

poor

Ik ben opgegroeid in een arm gezin.
het kantoorhet · noun

office

Ik had een slechte dag op kantoor.
de collegade · noun

colleague

Tom is mijn collega en mijn vriend.
de computerde · noun

computer

Dit is de computer van mijn moeder.
de organisatiede · noun

organization

Hoe kun je bijdragen aan onze organisatie?
het projecthet · noun

project

We werken samen aan een nieuw project.
de fabriekde · noun

factory

Wat wordt er in deze fabriek gemaakt?

Nivel A2

138 palabras

vastadjective

fixed; firm; surely

Ze heeft een vaste baan bij de gemeente.
rijkadjective

rich; wealthy

Ik weet dat we niet rijk zijn.
vrijadjective

free; off (work)

Ben je morgen vrij?
verdienenverb

to earn; to deserve

Hij verdient twee keer zoveel als ik.
het bedrijfhet · noun

company; business

Wie is de baas van dit bedrijf?
de baande · noun

job; track, lane

Ik ben een baan aan het zoeken.
de schuldde · noun

debt; guilt, blame

Ik heb schulden die betaald moeten worden.
de boerde · noun

farmer

Ze leende een zaag van de boer.
het gesprekhet · noun

conversation; talk; call

Ik had een lang gesprek met haar.
regelenverb

to arrange; to sort out

Ik wil dat je een bijeenkomst regelt.
tevredenadjective

satisfied; content

Onze baas is moeilijk tevreden te stellen.
leidenverb

to lead; to run; to result in

Zij leidt een klein bedrijf.
zomaaradverb

just like that; for no reason

Ik kan me niet zomaar ziek melden.
de ervaringde · noun

experience

Dat was geen goede ervaring voor mij.
het ongelukhet · noun

accident; misfortune

Ik had een ongeluk op het werk.
waarbijadverb

whereby; in which

Het is een baan waarbij je veel moet reizen.
de directeurde · noun

director; manager; principal

Ik sprak met de directeur zelf.
het bureauhet · noun

desk; office; bureau

Hij zit aan zijn bureau te studeren.
de werknemerde · noun

employee

Het bedrijf heeft vijftig werknemers.
besprekenverb

to discuss

Kunnen we dit onder vier ogen bespreken?
de opdrachtde · noun

task; assignment

Ik kan deze opdracht niet uitvoeren.
de slagde · noun

blow; stroke; battle

Na de uitleg gingen we meteen aan de slag.
het personeelhet · noun

staff; personnel

Niet al het personeel was aanwezig.
de knechtde · noun

farmhand; servant

De boer had vroeger twee knechten.
het beroephet · noun

profession; occupation

Wat doe je van beroep?
de bewakerde · noun

guard; security guard

De bewaker controleert de tassen bij de ingang.
de werkgeverde · noun

employer

Mary kreeg een loonsverhoging van haar werkgever.
de matroosde · noun

sailor

Mijn opa was vroeger matroos op een groot schip.
internationaaladjective

international

Ze werkt bij een groot internationaal bedrijf.
meldenverb

to report; to notify

Ik kan me niet zomaar ziek melden.
de vergaderingde · noun

meeting

Hij komt te laat voor de vergadering.
aanwezigadjective

present; in attendance

Wie waren er bij de vergadering aanwezig?
het rapporthet · noun

report; school report

Ik maak net het rapport af.
aannemenverb

to accept; to assume; to hire

Laten we aannemen dat het waar is.
de winstde · noun

profit; gain

Het bedrijf maakte dit jaar veel winst.
de mailde · noun

e-mail

Ik stuur je vanavond een mail met alle informatie.
de medewerkerde · noun

employee; staff member

Een medewerker van de gemeente helpt u graag verder.
veroverenverb

to conquer; to win

Het nieuwe product heeft de markt snel veroverd.
dubbeladjective

double

Tom verdient dubbel zoveel als ik.
de e-mailde · noun

e-mail

Ik heb een e-mail naar Tom gestuurd.
lossenverb

to unload; to fire (a shot)

In de haven wordt het schip gelost.
aanpakkenverb

to tackle; to deal with

Hoe moeten we dit probleem aanpakken?
de koopmande · noun

merchant; trader

Tom is een koopman.
de machinede · noun

machine

Deze machine is niet gemakkelijk te bedienen.
de mijnde · noun

mine

Vroeger werkten veel mannen in de mijn.
ontslaanverb

to dismiss; to fire

Ik heb besloten Tom te ontslaan.
opschietenverb

to hurry up; to progress; to get along

Kun je goed opschieten met je baas?
het loonhet · noun

wage; pay

Het loon wordt elke maand op je rekening gestort.
de boerderijde · noun

farm

Tom heeft hulp nodig op de boerderij.
de handelaarde · noun

trader; dealer

Mijn oom is handelaar in groente en fruit.
de/het roosterde/het · noun

schedule; roster; grill

Mijn rooster voor volgende week hangt in de kantine.
zelfstandigadjective

independent; self-employed

Na de cursus kan ik zelfstandig werken.
de zakenmande · noun

businessman

Mijn vader is een zakenman.
tredenverb

to step; to tread

Hij trad in dienst bij een groot bedrijf.
het salarishet · noun

salary

Ben je tevreden met je huidige salaris?
de klusde · noun

job; chore; task

Hij zal morgen klaar zijn met de klus.
de werkdagde · noun

working day; workday

Een werkdag duurt bij ons acht uur.
vervolgenverb

to continue; to prosecute; to persecute

Na de pauze vervolgen we de vergadering.
de managerde · noun

manager

Hij is eigenlijk niet de manager.
de pauzede · noun

break; pause

We hebben allemaal een kleine pauze nodig.
het ontslaghet · noun

resignation; dismissal

Hij heeft vorige week ontslag genomen.
de inspecteurde · noun

inspector

De inspecteur controleert de school elk jaar.
het interviewhet · noun

interview

Hoe was uw interview?
de architectde · noun

architect

De architect heeft ons nieuwe huis ontworpen.
de kokde · noun

cook; chef

Mijn broer werkt als kok in een restaurant.
de rijkdomde · noun

wealth; riches

Ondanks al zijn rijkdom is hij ongelukkig.
onderhandelenverb

to negotiate

Nu is de tijd om te onderhandelen.
geachtadjective

dear (letter); supposed to

Geachte mevrouw, hierbij stuur ik u mijn cv.
de ploegde · noun

team; shift; plough

Tom wordt misschien lid van onze ploeg.
bedienenverb

to serve; to operate

Deze machine is niet gemakkelijk te bedienen.
ladenverb

to load; to charge

Ze laden de dozen in de vrachtwagen.
mailenverb

to email

Kun je me de documenten mailen?
de assistentde · noun

assistant

Hij had twee of drie bekwame assistenten.
de timmermande · noun

carpenter

Tom was vroeger timmerman.
de zeemande · noun

sailor; seaman

Hij denkt eraan zeeman te worden.
de wachterde · noun

guard; watchman

De wachter controleert wie het gebouw binnenkomt.
flexibeladjective

flexible

Mijn werktijden zijn heel flexibel.
de administratiede · noun

administration; paperwork; accounts

Ik doe elke maand mijn administratie.
ervarenadjective

experienced

Hij is een ervaren chauffeur.
de werktijdde · noun

working hours

De werktijden zijn verschrikkelijk.
de doelgroepde · noun

target group; target audience

De doelgroep van deze cursus is nieuwkomers.
aangaanverb

to enter into; to switch on; to concern

We gaan een contract aan met een nieuwe leverancier.
fulltimeadjective

full-time

Ik werk fulltime.
werkloosadjective

unemployed

Tom wist dat ik werkloos was.
de investeringde · noun

investment

Ik heb dat huis gekocht als investering.
langdurigadjective

long-lasting; prolonged

Hij is al langdurig werkloos.
solliciterenverb

to apply (for a job)

Ik heb gesolliciteerd naar een baan bij de bank.
de vrijwilligerde · noun

volunteer

Ik zal een paar vrijwilligers nodig hebben.
de proefde · noun

test; trial; experiment

Ik werk de eerste twee maanden op proef.
uitlopenverb

to overrun; to sprout; to result in

De vergadering is een uur uitgelopen.
het voorschothet · noun

advance (payment)

Ik heb een voorschot nodig.
de opvolgerde · noun

successor

De directeur stelt volgende week zijn opvolger voor.
administratiefadjective

administrative

Ze doet het administratieve werk op kantoor.
de horecade · noun

hospitality industry

Veel studenten werken in de horeca.
de roepingde · noun

vocation; calling

Verpleegkundige zijn is voor haar een roeping.
typenverb

to type

Ik leer hoe je moet typen.
de apparatuurde · noun

equipment

Dit ziekenhuis heeft veel nieuwe apparatuur.
de kantinede · noun

canteen; cafeteria

Tom eet normaal gesproken lunch in de kantine.
de bankrekeningde · noun

bank account

Voor je salaris heb je een bankrekening nodig.
het secretariaathet · noun

secretariat; office

Lever het formulier in bij het secretariaat.
de vergoedingde · noun

compensation; reimbursement; allowance

Je krijgt een vergoeding voor je reiskosten.
de directiede · noun

management; board of directors

De directie heeft een nieuw plan gemaakt.
de vacaturede · noun

vacancy

Er is een vacature voor een verpleegkundige.
de vakantiedagde · noun

day off; holiday (day)

Ik heb dit jaar nog vijf vakantiedagen over.
de afdrukde · noun

print; imprint; printout

Kun je een afdruk van dit document maken?
het computerprogrammahet · noun

computer program

Met dit computerprogramma kun je je administratie bijhouden.
de brandweermande · noun

firefighter; fireman

De brandweerman kon het vuur niet blussen.
de kantoorruimtede · noun

office space

Het bedrijf huurt een nieuwe kantoorruimte in het centrum.
de boekhoudingde · noun

bookkeeping; accounts

Mijn broer doet de boekhouding voor een klein bedrijf.
de fabrikantde · noun

manufacturer

Dit bedrijf is fabrikant van televisies.
de werkerde · noun

worker

Je bent een echte harde werker.
het vrijwilligerswerkhet · noun

volunteer work

Heb je ooit vrijwilligerswerk gedaan?
de bondde · noun

union; federation; league

Mijn vader is lid van de vakbond.
de schoonmaaksterde · noun

cleaning lady; cleaner

De schoonmaakster komt elke vrijdag.
schatrijkadjective

very rich; loaded

Hij is schatrijk.
de bazinde · noun

(female) boss; mistress

Mijn bazin geeft me morgen vrij.
de portierde · noun

doorman; porter

Bent u niet de portier?
afmeldenverb

to cancel; to call in; to log off

Als je ziek bent, moet je je voor negen uur afmelden.
de leidinggevendede · noun

manager; supervisor

Ik wil met je leidinggevende praten.
stage lopenphrase

to do an internship

Ik loop drie maanden stage bij een ziekenhuis.
de stagiairde · noun

intern; trainee

Deze week begint er een nieuwe stagiair op kantoor.
de uitzendkrachtde · noun

temp; agency worker

Het magazijn werkt veel met uitzendkrachten.
de arbeidsovereenkomstde · noun

employment contract

Lees de arbeidsovereenkomst goed voordat je tekent.
de proeftijdde · noun

probationary period

Tijdens de proeftijd kunnen beide partijen het contract snel stoppen.
de opzegtermijnde · noun

notice period

Mijn opzegtermijn is één maand.
de loonstrookde · noun

payslip

Op je loonstrook zie je hoeveel belasting je betaalt.
het brutoloonhet · noun

gross wage

Het brutoloon is hoger dan het bedrag dat je krijgt.
het nettoloonhet · noun

net wage; take-home pay

Mijn nettoloon komt elke maand op mijn bankrekening.
het minimumloonhet · noun

minimum wage

Iedere werkgever moet minimaal het minimumloon betalen.
het vakantiegeldhet · noun

holiday allowance

De meeste werknemers krijgen in mei of juni vakantiegeld.
de caode · noun

collective labour agreement

In de cao staan afspraken over loon en werktijden.
het uitzendbureauhet · noun

temp agency

Via een uitzendbureau vond hij snel tijdelijk werk.
de zzp'erde · noun

self-employed person without staff

Als zzp'er moet je zelf je belasting regelen.
het sollicitatiegesprekhet · noun

job interview

Kom op tijd naar je sollicitatiegesprek.
de WWde · noun

unemployment benefit

Je kunt een WW-uitkering aanvragen bij het UWV.
de AOWde · noun

state pension

Iedereen die in Nederland woont, bouwt AOW op.
de ziekmeldingde · noun

notice of sickness

Doe je ziekmelding 's ochtends vroeg bij je leidinggevende.
de bedrijfsartsde · noun

occupational physician

Na een paar weken ziekte heb je een gesprek met de bedrijfsarts.

Otros temas

Significados redactados con ayuda de IA · aún sin revisar Level data: NT2Lex (UCLouvain), CC BY-NC-SA 4.0. Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR). Definitions and translations: EUpassway (AI-assisted).