Naar inhoud

VoorbereidenWoordenschat

Woordenschat

Examenwoorden

Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.

569 woorden
NederlandInburgering B1 · route 2021Dagelijkse routine + officiële bronnen · voorbeeldvragen

Kies een dagelijkse situatie

Woorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.

Alle woorden

569 woorden

Niveau

Algemeen · A1

lidwoord voor de-woorden en meervoud lidwoord

the (common gender; plural)

Het is twee uur in de namiddag.Het is twee uur in de namiddag.

Algemeen · A1

bestaan; er zijn werkwoord

to be; (auxiliary) have

De winkel is op zondag gesloten.De winkel is op zondag gesloten.

Algemeen · A1

ook; plus voegwoord

and

Ik heb een neef en een nicht.Ik heb een neef en een nicht.

Algemeen · A1

lidwoord voor één onbepaald ding lidwoord

a; an

Ik wil graag een kopje koffie.Ik wil graag een kopje koffie.

Algemeen · A1

lidwoord voor het-woorden lidwoord

the (neuter)

Het huis staat naast de kerk.Het huis staat naast de kerk.

Algemeen · A1

behorend bij; afkomstig uit voorzetsel

of; from; by

Dit is de fiets van mijn broer.Dit is de fiets van mijn broer.

Algemeen · A1

de persoon die spreekt voornaamwoord

I

Ik woon al twee jaar in Utrecht.Ik woon al twee jaar in Utrecht.

Algemeen · A1

binnen; op de plek van voorzetsel

in; at

Ik woon in een klein dorp.Ik woon in een klein dorp.

Algemeen · A1

jij (zonder nadruk) voornaamwoord

you; your (informal)

Heb je vanavond tijd?Heb je vanavond tijd?

Algemeen · A1

die man of jongen voornaamwoord

he

Hij zit bij mij in de klas.Hij zit bij mij in de klas.

Algemeen · A1

zij (zonder nadruk) voornaamwoord

she; they; them

Ze heeft voor mij een cake gebakken.Ze heeft voor mij een cake gebakken.

Algemeen · A1

dat ding of die zaak voornaamwoord

it

Het regent vandaag de hele dag.Het regent vandaag de hele dag.

Algemeen · A1

geen ja; ontkenning bijwoord

not

Ik begrijp de vraag niet.Ik begrijp de vraag niet.

Algemeen · A1

boven op iets voorzetsel

on; at

Het boek ligt op de tafel.Het boek ligt op de tafel.

Algemeen · A1

bezitten; krijgen werkwoord

to have

Wij hebben twee kinderen.Wij hebben twee kinderen.

Algemeen · A1

die zaak; dat ding daar voornaamwoord

that; which

Dat is mijn nieuwe telefoon.Dat is mijn nieuwe telefoon.

Vervoer en reizen · A1

samen; door middel van voorzetsel

with; by

Ik ga met de trein naar Amsterdam.Ik ga met de trein naar Amsterdam.

Algemeen · A1

echter voegwoord

but

Ik wil wel komen, maar ik heb geen tijd.Ik wil wel komen, maar ik heb geen tijd.

Algemeen · A1

verbindt twee zinnen voegwoord

that

Ik weet dat ik het mis heb.Ik weet dat ik het mis heb.

Algemeen · A1

voor een infinitief; overmatig voorzetsel

to; too

Het is tijd om op te staan.Het is tijd om op te staan.

Algemeen · A1

dat daar (de-woord); welke voornaamwoord

that; those; who; which

Ik heb rekeningen die ik moet betalen.Ik heb rekeningen die ik moet betalen.

Algemeen · A1

ten behoeve van; eerder dan voorzetsel

for; before; in front of

Deze bloemen zijn voor jou.Deze bloemen zijn voor jou.

Vervoer en reizen · A1

in de richting van voorzetsel

to; towards

Ik heb een lift naar huis nodig.Ik heb een lift naar huis nodig.

Algemeen · A1

op die plaats voornaamwoord

there

Er zijn veel mensen in de winkel.Er zijn veel mensen in de winkel.

Algemeen · A1

van hem voornaamwoord

his

Hij zoekt zijn sleutels.Hij zoekt zijn sleutels.

Algemeen · A1

iets vertellen met woorden werkwoord

to say; to tell

De mensen zeggen dat ik dom ben.De mensen zeggen dat ik dom ben.

Algemeen · A1

welk ding voornaamwoord

what; something

Wat wil je drinken?Wat wil je drinken?

Algemeen · A1

vast tegen; voor iemand voorzetsel

on; at; to

Ik geef het boek aan mijn zus.Ik geef het boek aan mijn zus.

Algemeen · A1

in staat zijn; mogen werkwoord

can; to be able to

Kunt u mij helpen?Kunt u mij helpen?

Algemeen · A1

wij (zonder nadruk) voornaamwoord

we

Morgen gaan we naar het strand.Morgen gaan we naar het strand.

Algemeen · A1

naar een plek bewegen werkwoord

to go

Het is tijd om weg te gaan.Het is tijd om weg te gaan.

Tijd, data en getallen · A1

rond; op dat tijdstip voorzetsel

at; around; in order to

De les begint om negen uur.De les begint om negen uur.

Algemeen · A1

daarna; in dat geval bijwoord

then; than

Eerst eten we, dan gaan we wandelen.Eerst eten we, dan gaan we wandelen.

Algemeen · A1

wanneer; indien voegwoord

if; when; as

Als het regent, blijf ik thuis.Als het regent, blijf ik thuis.

Algemeen · A1

eveneens bijwoord

also; too

Mijn vrouw spreekt ook Nederlands.Mijn vrouw spreekt ook Nederlands.

Algemeen · A1

een grote hoeveelheid voornaamwoord

much; many; a lot

Ik zal dit met veel plezier doen.Ik zal dit met veel plezier doen.

Algemeen · A1

van haar; zij als voorwerp voornaamwoord

her

Ik heb voor haar een pop gemaakt.Ik heb voor haar een pop gemaakt.

Algemeen · A1

verplicht zijn werkwoord

must; to have to

Ik moet morgen vroeg werken.Ik moet morgen vroeg werken.

Algemeen · A1

tot nu toe; opnieuw bijwoord

still; yet; more

Ik ben nog steeds aan het koken.Ik ben nog steeds aan het koken.

Algemeen · A1

veranderen in werkwoord

to become; to get

Mijn zoon wil later dokter worden.Mijn zoon wil later dokter worden.

Algemeen · A1

van binnen naar buiten voorzetsel

out of; from

Ik kom uit China.Ik kom uit China.

Algemeen · A1

op deze manier; heel bijwoord

so; like this; soon

Ik kom zo, even wachten.Ik kom zo, even wachten.

Familie en sociaal leven · A1

van mij voornaamwoord

my

Mijn moeder woont in Rotterdam.Mijn moeder woont in Rotterdam.

Algemeen · A1

naar hier gaan werkwoord

to come

Wanneer kom je bij ons eten?Wanneer kom je bij ons eten?

Algemeen · A1

dichtbij; in het huis van voorzetsel

at; near; with

Ik woon bij mijn ouders.Ik woon bij mijn ouders.

Algemeen · A1

beleefde vorm van jij voornaamwoord

you (formal)

Waarmee kan ik u van dienst zijn?Waarmee kan ik u van dienst zijn?

Algemeen · A1

of het een of het ander voegwoord

or; whether

Is dat een ja of een nee?Is dat een ja of een nee?

Tijd, data en getallen · A1

het getal 1 telwoord

one

Ik heb één broer en twee zussen.Ik heb één broer en twee zussen.

Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.