Vervoer en reizen · A1
samen; door middel van voorzetsel
with; by
Ik ga met de trein naar Amsterdam.Ik ga met de trein naar Amsterdam.VoorbereidenWoordenschat
Woordenschat
Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.
43 woordenWoorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.
Thema:
43 woorden
Vervoer en reizen · A1
samen; door middel van voorzetsel
with; by
Ik ga met de trein naar Amsterdam.Ik ga met de trein naar Amsterdam.Vervoer en reizen · A1
in de richting van voorzetsel
to; towards
Ik heb een lift naar huis nodig.Ik heb een lift naar huis nodig.Vervoer en reizen · A1
te voet gaan werkwoord
to walk; to run
Ik ben te moe om te lopen.Ik ben te moe om te lopen.Vervoer en reizen · A1
met hoge snelheid bijvoeglijk naamwoord
fast; quick
De trein is sneller dan de bus.De trein is sneller dan de bus.Vervoer en reizen · A1
pakken; gebruiken werkwoord
to take
Ik neem de trein naar mijn werk.Ik neem de trein naar mijn werk.Vervoer en reizen · A1
op grote afstand bijvoeglijk naamwoord
far
Hoe ver is het naar het vliegveld?Hoe ver is het naar het vliegveld?Vervoer en reizen · A1
niet helemaal bijwoord
almost; nearly
Ik werd bijna aangereden door een auto.Ik werd bijna aangereden door een auto.Vervoer en reizen · A1
blijven tot iets gebeurt werkwoord
to wait
Ik wacht op de bus.Ik wacht op de bus.Vervoer en reizen · A1
straat buiten de stad zelfstandig naamwoord
road; way
Weet u de weg naar het station?Weet u de weg naar het station?Vervoer en reizen · A1
voertuig met vier wielen zelfstandig naamwoord
car
Mijn auto staat voor het huis.Mijn auto staat voor het huis.Vervoer en reizen · A1
met een auto of fiets gaan werkwoord
to drive; to ride
Ik rijd elke dag naar mijn werk.Ik rijd elke dag naar mijn werk.Vervoer en reizen · A1
niet verder gaan werkwoord
to stop; to put
Deze bus stopt bij het station.Deze bus stopt bij het station.Vervoer en reizen · A1
klein schip zelfstandig naamwoord
boat
Ik stak de rivier over per boot.Ik stak de rivier over per boot.Vervoer en reizen · A1
naast iets verder gaan voorzetsel
along; past
We fietsen langs het water.We fietsen langs het water.Vervoer en reizen · A1
met de kleur van bloed bijvoeglijk naamwoord
red
Het stoplicht staat op rood.Het stoplicht staat op rood.Vervoer en reizen · A1
weg in een stad of dorp zelfstandig naamwoord
street
Ik heb hem de straat zien oversteken.Ik heb hem de straat zien oversteken.Vervoer en reizen · A1
een tocht naar een andere plek zelfstandig naamwoord
journey; trip
Hopelijk heeft u genoten van uw reis.Hopelijk heeft u genoten van uw reis.Vervoer en reizen · A1
heel snel lopen werkwoord
to run
Ik moest rennen om de bus te halen.Ik moest rennen om de bus te halen.Vervoer en reizen · A1
weggaan werkwoord
to leave; to depart
De trein vertrekt om acht uur.De trein vertrekt om acht uur.Vervoer en reizen · A1
vervoer over rails zelfstandig naamwoord
train
We kunnen beter met de trein gaan.We kunnen beter met de trein gaan.Vervoer en reizen · A1
een stap zetten werkwoord
to step; to walk; to get (on/off)
We stappen in de bus naar het centrum.We stappen in de bus naar het centrum.Vervoer en reizen · A1
vervoer met twee wielen en trappers zelfstandig naamwoord
bicycle; bike
Tom is hier met de fiets gekomen.Tom is hier met de fiets gekomen.Vervoer en reizen · A1
groot voertuig voor veel passagiers zelfstandig naamwoord
bus
Ik stond op de bus te wachten.Ik stond op de bus te wachten.Vervoer en reizen · A1
duizend meter zelfstandig naamwoord
kilometer
We hebben zo'n drie kilometer gelopen.We hebben zo'n drie kilometer gelopen.Vervoer en reizen · A1
plek waar de trein stopt zelfstandig naamwoord
station
Hij nam me mee naar het station.Hij nam me mee naar het station.Vervoer en reizen · A1
plek waar schepen aanleggen zelfstandig naamwoord
harbor; port
Het schip is nu in de haven.Het schip is nu in de haven.Vervoer en reizen · A1
aan de rechterkant bijwoord
right; on the right
Draai naar rechts aan de volgende hoek.Draai naar rechts aan de volgende hoek.Vervoer en reizen · A1
machine die door de lucht vliegt zelfstandig naamwoord
airplane
Ik kan niet slapen in een vliegtuig.Ik kan niet slapen in een vliegtuig.Vervoer en reizen · A1
op de fiets rijden werkwoord
to cycle
Ik fiets elke dag naar mijn werk.Ik fiets elke dag naar mijn werk.Vervoer en reizen · A1
midden van de stad zelfstandig naamwoord
centre; city centre
Welke trein gaat naar het centrum?Welke trein gaat naar het centrum?Vervoer en reizen · A1
aan de linkerkant bijwoord
left; on the left
Hij keek naar links en naar rechts.Hij keek naar links en naar rechts.Vervoer en reizen · A1
iemand die voor zijn werk rijdt zelfstandig naamwoord
driver; chauffeur
Tom is een heel voorzichtige chauffeur.Tom is een heel voorzichtige chauffeur.Vervoer en reizen · A1
lange rij auto's die stilstaan zelfstandig naamwoord
traffic jam
Er staat een file op de snelweg.Er staat een file op de snelweg.Vervoer en reizen · A1
de weg die je neemt zelfstandig naamwoord
route
Weet je welke route te nemen?Weet je welke route te nemen?Vervoer en reizen · A1
een auto rijden; leiden werkwoord
to drive; to steer; to govern
Deze auto is gemakkelijk om te besturen.Deze auto is gemakkelijk om te besturen.Vervoer en reizen · A1
plek voor of reparatie van auto's zelfstandig naamwoord
garage; car repair shop
Mijn auto staat deze week in de garage.Mijn auto staat deze week in de garage.Vervoer en reizen · A1
iemand die een bus bestuurt zelfstandig naamwoord
bus driver
De buschauffeur controleert je kaartje.De buschauffeur controleert je kaartje.Vervoer en reizen · A1
een elektrische trein in de stad zelfstandig naamwoord
tram; streetcar
Trams werken op elektriciteit.Trams werken op elektriciteit.Vervoer en reizen · A1
een plek waar vliegtuigen landen zelfstandig naamwoord
airport
Hoe ver is het naar het vliegveld?Hoe ver is het naar het vliegveld?Vervoer en reizen · A1
een auto die je betaalt om je te brengen zelfstandig naamwoord
taxi
Kunt u een taxi voor me bestellen?Kunt u een taxi voor me bestellen?Vervoer en reizen · A1
plek waar de bus stopt zelfstandig naamwoord
bus stop
Tom stapte bij de volgende bushalte uit.Tom stapte bij de volgende bushalte uit.Vervoer en reizen · A1
brandstof voor een auto zelfstandig naamwoord
petrol; gasoline
De benzine is weer duurder geworden.De benzine is weer duurder geworden.Vervoer en reizen · A1
van de ene trein of bus in de andere gaan werkwoord
to change (trains/buses); to switch
Op het volgende station moet u overstappen.Op het volgende station moet u overstappen.Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.