Eten en drinken · A2
een deel van iets zelfstandig naamwoord
piece; part
Ik heb het laatste stuk pizza opgegeten.Ik heb het laatste stuk pizza opgegeten.VoorbereidenWoordenschat
Woordenschat
Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.
81 woordenWoorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.
Thema:
81 woorden
Eten en drinken · A2
een deel van iets zelfstandig naamwoord
piece; part
Ik heb het laatste stuk pizza opgegeten.Ik heb het laatste stuk pizza opgegeten.Eten en drinken · A2
erg lekker; fijn bijvoeglijk naamwoord
delicious; lovely
Watermeloen smaakt heerlijk op een hete dag.Watermeloen smaakt heerlijk op een hete dag.Eten en drinken · A2
eten gebakken van meel zelfstandig naamwoord
bread
De jongen is brood aan het eten.De jongen is brood aan het eten.Eten en drinken · A2
drinkbeker; doorzichtig materiaal zelfstandig naamwoord
glass
Ik zou wel een glas water willen.Ik zou wel een glas water willen.Eten en drinken · A2
drank van druiven zelfstandig naamwoord
wine
Ik zal wat wijn voor je halen.Ik zal wat wijn voor je halen.Eten en drinken · A2
dier dat in het water leeft zelfstandig naamwoord
fish
Gisteren heb ik een grote vis gevangen.Gisteren heb ik een grote vis gevangen.Eten en drinken · A2
eten klaarmaken; heet worden tot 100 graden werkwoord
to cook; to boil
Tom zegt dat hij goed kan koken.Tom zegt dat hij goed kan koken.Eten en drinken · A2
iets om te drinken, vaak alcohol zelfstandig naamwoord
drink; alcohol
Drank is slecht voor de gezondheid.Drank is slecht voor de gezondheid.Eten en drinken · A2
eten zelfstandig naamwoord
food
Zout helpt voedsel te conserveren tegen bederf.Zout helpt voedsel te conserveren tegen bederf.Eten en drinken · A2
eerste maaltijd van de dag zelfstandig naamwoord
breakfast
Ik poets mijn tanden na het ontbijt.Ik poets mijn tanden na het ontbijt.Eten en drinken · A2
iets met anderen samen hebben werkwoord
to share; to divide
Zullen we de pizza delen?Zullen we de pizza delen?Eten en drinken · A2
eten gemaakt van melk zelfstandig naamwoord
cheese
Uit melk maken we kaas en boter.Uit melk maken we kaas en boter.Eten en drinken · A2
bevroren water; iets kouds en zoets zelfstandig naamwoord
ice; ice cream
De meeste kinderen zijn dol op ijs.De meeste kinderen zijn dol op ijs.Eten en drinken · A2
een vogel op de boerderij; het vlees daarvan zelfstandig naamwoord
chicken
De kip was een beetje droog.De kip was een beetje droog.Eten en drinken · A2
eten op een vaste tijd zelfstandig naamwoord
meal
Het was echt een voortreffelijke maaltijd.Het was echt een voortreffelijke maaltijd.Eten en drinken · A2
met een mes in stukken maken werkwoord
to cut
Tom is het brood aan het snijden.Tom is het brood aan het snijden.Eten en drinken · A2
een beetje eten om te weten hoe het smaakt werkwoord
to taste
Wil je niet wat van mijn wijn proeven?Wil je niet wat van mijn wijn proeven?Eten en drinken · A2
iets zoets voor in koffie of thee zelfstandig naamwoord
sugar
Ik doe geen suiker in mijn koffie.Ik doe geen suiker in mijn koffie.Eten en drinken · A2
iets om mee te snijden zelfstandig naamwoord
knife
Kun je me een mes geven voor het brood?Kun je me een mes geven voor het brood?Eten en drinken · A2
een pot met een tuit voor drinken zelfstandig naamwoord
jug; pot
Zet de kan water maar op tafel.Zet de kan water maar op tafel.Eten en drinken · A2
iets om in te koken zelfstandig naamwoord
pan
Haal de pan van het vuur.Haal de pan van het vuur.Eten en drinken · A2
hoe iets in je mond smaakt zelfstandig naamwoord
taste; flavour
Ik hou van de smaak van champignons.Ik hou van de smaak van champignons.Eten en drinken · A2
met veel vet bijvoeglijk naamwoord
fat; greasy; (slang) cool
Dit vlees is me te vet.Dit vlees is me te vet.Eten en drinken · A2
net gemaakt of geplukt bijvoeglijk naamwoord
fresh
Vers fruit is goed voor je gezondheid.Vers fruit is goed voor je gezondheid.Eten en drinken · A2
vragen om iets te krijgen of te kopen werkwoord
to order
Bent u nu klaar om te bestellen?Bent u nu klaar om te bestellen?Eten en drinken · A2
alles eten werkwoord
to eat up
Ga je dat stuk taart opeten?Ga je dat stuk taart opeten?Eten en drinken · A2
heel warm bijvoeglijk naamwoord
hot
Pas op, de soep is heet!Pas op, de soep is heet!Eten en drinken · A2
in de oven of pan klaarmaken werkwoord
to bake; to fry
Tom is een cake aan het bakken.Tom is een cake aan het bakken.Eten en drinken · A2
eten in het midden van de dag zelfstandig naamwoord
lunch
Ik neem meestal een broodje als lunch.Ik neem meestal een broodje als lunch.Eten en drinken · A2
warm vloeibaar eten zelfstandig naamwoord
soup
Wat is de soep van de dag?Wat is de soep van de dag?Eten en drinken · A2
zin in eten zelfstandig naamwoord
appetite; craving; draught
Hoe wist je dat ik trek had?Hoe wist je dat ik trek had?Eten en drinken · A2
wit poeder dat je op eten doet zelfstandig naamwoord
salt
Breng op smaak met zout en peper.Breng op smaak met zout en peper.Eten en drinken · A2
wat je met je neus ruikt zelfstandig naamwoord
smell; scent
Ik hou van de geur van koffie.Ik hou van de geur van koffie.Eten en drinken · A2
eten dat je klaarmaakt zelfstandig naamwoord
dish; court (justice)
Welke vegetarische gerechten kan je aanbevelen?Welke vegetarische gerechten kan je aanbevelen?Eten en drinken · A2
een kopje zonder oor, of een prijs zelfstandig naamwoord
cup; mug; trophy
De beker is gevuld met water.De beker is gevuld met water.Eten en drinken · A2
diep bord zelfstandig naamwoord
bowl
Ik eet een kom soep.Ik eet een kom soep.Eten en drinken · A2
vloeibaar vet zelfstandig naamwoord
oil
Je kan olie en water niet mengen.Je kan olie en water niet mengen.Eten en drinken · A2
bak of pan zelfstandig naamwoord
pot; jar
Er is nauwelijks koffie over in de pot.Er is nauwelijks koffie over in de pot.Eten en drinken · A2
inschenken; cadeau geven werkwoord
to pour; to donate; to give
Zal ik nog wat koffie voor je schenken?Zal ik nog wat koffie voor je schenken?Eten en drinken · A2
een beetje eten in je mond zelfstandig naamwoord
bite; mouthful
Ze nam een hap uit de appel.Ze nam een hap uit de appel.Eten en drinken · A2
gereedmaken; eten koken werkwoord
to prepare; to get ready
Ik liet mijn zoon het avondeten klaarmaken.Ik liet mijn zoon het avondeten klaarmaken.Eten en drinken · A2
een beetje drinken zelfstandig naamwoord
sip; gulp
Neem hier een slok van.Neem hier een slok van.Eten en drinken · A2
groene bladgroente zelfstandig naamwoord
lettuce; salad
Wil je wat sla bij het eten?Wil je wat sla bij het eten?Eten en drinken · A2
zin om te drinken zelfstandig naamwoord
thirst
Ik heb op het moment geen dorst.Ik heb op het moment geen dorst.Eten en drinken · A2
vet van melk, op brood zelfstandig naamwoord
butter
Uit melk maken we kaas en boter.Uit melk maken we kaas en boter.Eten en drinken · A2
met een lepel of schep pakken werkwoord
to scoop; to shovel; to create
Ze schept soep in de kommen.Ze schept soep in de kommen.Eten en drinken · A2
's ochtends eten werkwoord
to have breakfast
Wij ontbijten meestal om zeven uur.Wij ontbijten meestal om zeven uur.Eten en drinken · A2
groente met bladeren; zwarte brandstof zelfstandig naamwoord
cabbage; coal
Een kool kost op de markt één euro.Een kool kost op de markt één euro.Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.