Naar inhoud

VoorbereidenWoordenschat

Woordenschat

Examenwoorden

Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.

81 woorden
NederlandInburgering B1 · route 2021Dagelijkse routine + officiële bronnen · voorbeeldvragen

Kies een dagelijkse situatie

Woorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.

Thema:

Eten en drinken

81 woorden

Niveau

Eten en drinken · A2

een deel van iets zelfstandig naamwoord

piece; part

Ik heb het laatste stuk pizza opgegeten.Ik heb het laatste stuk pizza opgegeten.

Eten en drinken · A2

erg lekker; fijn bijvoeglijk naamwoord

delicious; lovely

Watermeloen smaakt heerlijk op een hete dag.Watermeloen smaakt heerlijk op een hete dag.

Eten en drinken · A2

eten gebakken van meel zelfstandig naamwoord

bread

De jongen is brood aan het eten.De jongen is brood aan het eten.

Eten en drinken · A2

drinkbeker; doorzichtig materiaal zelfstandig naamwoord

glass

Ik zou wel een glas water willen.Ik zou wel een glas water willen.

Eten en drinken · A2

drank van druiven zelfstandig naamwoord

wine

Ik zal wat wijn voor je halen.Ik zal wat wijn voor je halen.

Eten en drinken · A2

dier dat in het water leeft zelfstandig naamwoord

fish

Gisteren heb ik een grote vis gevangen.Gisteren heb ik een grote vis gevangen.

Eten en drinken · A2

eten klaarmaken; heet worden tot 100 graden werkwoord

to cook; to boil

Tom zegt dat hij goed kan koken.Tom zegt dat hij goed kan koken.

Eten en drinken · A2

iets om te drinken, vaak alcohol zelfstandig naamwoord

drink; alcohol

Drank is slecht voor de gezondheid.Drank is slecht voor de gezondheid.

Eten en drinken · A2

eten zelfstandig naamwoord

food

Zout helpt voedsel te conserveren tegen bederf.Zout helpt voedsel te conserveren tegen bederf.

Eten en drinken · A2

eerste maaltijd van de dag zelfstandig naamwoord

breakfast

Ik poets mijn tanden na het ontbijt.Ik poets mijn tanden na het ontbijt.

Eten en drinken · A2

iets met anderen samen hebben werkwoord

to share; to divide

Zullen we de pizza delen?Zullen we de pizza delen?

Eten en drinken · A2

eten gemaakt van melk zelfstandig naamwoord

cheese

Uit melk maken we kaas en boter.Uit melk maken we kaas en boter.

Eten en drinken · A2

bevroren water; iets kouds en zoets zelfstandig naamwoord

ice; ice cream

De meeste kinderen zijn dol op ijs.De meeste kinderen zijn dol op ijs.

Eten en drinken · A2

een vogel op de boerderij; het vlees daarvan zelfstandig naamwoord

chicken

De kip was een beetje droog.De kip was een beetje droog.

Eten en drinken · A2

eten op een vaste tijd zelfstandig naamwoord

meal

Het was echt een voortreffelijke maaltijd.Het was echt een voortreffelijke maaltijd.

Eten en drinken · A2

met een mes in stukken maken werkwoord

to cut

Tom is het brood aan het snijden.Tom is het brood aan het snijden.

Eten en drinken · A2

een beetje eten om te weten hoe het smaakt werkwoord

to taste

Wil je niet wat van mijn wijn proeven?Wil je niet wat van mijn wijn proeven?

Eten en drinken · A2

iets zoets voor in koffie of thee zelfstandig naamwoord

sugar

Ik doe geen suiker in mijn koffie.Ik doe geen suiker in mijn koffie.

Eten en drinken · A2

iets om mee te snijden zelfstandig naamwoord

knife

Kun je me een mes geven voor het brood?Kun je me een mes geven voor het brood?

Eten en drinken · A2

een pot met een tuit voor drinken zelfstandig naamwoord

jug; pot

Zet de kan water maar op tafel.Zet de kan water maar op tafel.

Eten en drinken · A2

iets om in te koken zelfstandig naamwoord

pan

Haal de pan van het vuur.Haal de pan van het vuur.

Eten en drinken · A2

hoe iets in je mond smaakt zelfstandig naamwoord

taste; flavour

Ik hou van de smaak van champignons.Ik hou van de smaak van champignons.

Eten en drinken · A2

met veel vet bijvoeglijk naamwoord

fat; greasy; (slang) cool

Dit vlees is me te vet.Dit vlees is me te vet.

Eten en drinken · A2

net gemaakt of geplukt bijvoeglijk naamwoord

fresh

Vers fruit is goed voor je gezondheid.Vers fruit is goed voor je gezondheid.

Eten en drinken · A2

vragen om iets te krijgen of te kopen werkwoord

to order

Bent u nu klaar om te bestellen?Bent u nu klaar om te bestellen?

Eten en drinken · A2

alles eten werkwoord

to eat up

Ga je dat stuk taart opeten?Ga je dat stuk taart opeten?

Eten en drinken · A2

heel warm bijvoeglijk naamwoord

hot

Pas op, de soep is heet!Pas op, de soep is heet!

Eten en drinken · A2

in de oven of pan klaarmaken werkwoord

to bake; to fry

Tom is een cake aan het bakken.Tom is een cake aan het bakken.

Eten en drinken · A2

eten in het midden van de dag zelfstandig naamwoord

lunch

Ik neem meestal een broodje als lunch.Ik neem meestal een broodje als lunch.

Eten en drinken · A2

warm vloeibaar eten zelfstandig naamwoord

soup

Wat is de soep van de dag?Wat is de soep van de dag?

Eten en drinken · A2

zin in eten zelfstandig naamwoord

appetite; craving; draught

Hoe wist je dat ik trek had?Hoe wist je dat ik trek had?

Eten en drinken · A2

wit poeder dat je op eten doet zelfstandig naamwoord

salt

Breng op smaak met zout en peper.Breng op smaak met zout en peper.

Eten en drinken · A2

wat je met je neus ruikt zelfstandig naamwoord

smell; scent

Ik hou van de geur van koffie.Ik hou van de geur van koffie.

Eten en drinken · A2

eten dat je klaarmaakt zelfstandig naamwoord

dish; court (justice)

Welke vegetarische gerechten kan je aanbevelen?Welke vegetarische gerechten kan je aanbevelen?

Eten en drinken · A2

een kopje zonder oor, of een prijs zelfstandig naamwoord

cup; mug; trophy

De beker is gevuld met water.De beker is gevuld met water.

Eten en drinken · A2

diep bord zelfstandig naamwoord

bowl

Ik eet een kom soep.Ik eet een kom soep.

Eten en drinken · A2

vloeibaar vet zelfstandig naamwoord

oil

Je kan olie en water niet mengen.Je kan olie en water niet mengen.

Eten en drinken · A2

bak of pan zelfstandig naamwoord

pot; jar

Er is nauwelijks koffie over in de pot.Er is nauwelijks koffie over in de pot.

Eten en drinken · A2

inschenken; cadeau geven werkwoord

to pour; to donate; to give

Zal ik nog wat koffie voor je schenken?Zal ik nog wat koffie voor je schenken?

Eten en drinken · A2

een beetje eten in je mond zelfstandig naamwoord

bite; mouthful

Ze nam een hap uit de appel.Ze nam een hap uit de appel.

Eten en drinken · A2

gereedmaken; eten koken werkwoord

to prepare; to get ready

Ik liet mijn zoon het avondeten klaarmaken.Ik liet mijn zoon het avondeten klaarmaken.

Eten en drinken · A2

een beetje drinken zelfstandig naamwoord

sip; gulp

Neem hier een slok van.Neem hier een slok van.

Eten en drinken · A2

groene bladgroente zelfstandig naamwoord

lettuce; salad

Wil je wat sla bij het eten?Wil je wat sla bij het eten?

Eten en drinken · A2

zin om te drinken zelfstandig naamwoord

thirst

Ik heb op het moment geen dorst.Ik heb op het moment geen dorst.

Eten en drinken · A2

vet van melk, op brood zelfstandig naamwoord

butter

Uit melk maken we kaas en boter.Uit melk maken we kaas en boter.

Eten en drinken · A2

met een lepel of schep pakken werkwoord

to scoop; to shovel; to create

Ze schept soep in de kommen.Ze schept soep in de kommen.

Eten en drinken · A2

's ochtends eten werkwoord

to have breakfast

Wij ontbijten meestal om zeven uur.Wij ontbijten meestal om zeven uur.

Eten en drinken · A2

groente met bladeren; zwarte brandstof zelfstandig naamwoord

cabbage; coal

Een kool kost op de markt één euro.Een kool kost op de markt één euro.

Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.