Naar inhoud

VoorbereidenWoordenschat

Woordenschat

Examenwoorden

Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.

147 woorden
NederlandInburgering B1 · route 2021Dagelijkse routine + officiële bronnen · voorbeeldvragen

Kies een dagelijkse situatie

Woorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.

Thema:

Wonen

147 woorden

Niveau

Wonen · A2

ver boven de grond bijvoeglijk naamwoord

high; tall

Mijn gasrekening vorige maand was erg hoog.Mijn gasrekening vorige maand was erg hoog.

Wonen · A2

vastzitten aan iets boven de grond werkwoord

to hang

Er hangt een klok aan de muur.Er hangt een klok aan de muur.

Wonen · A2

de omgeving waar je woont zelfstandig naamwoord

neighbourhood; vicinity

Is er een geldautomaat in de buurt?Is er een geldautomaat in de buurt?

Wonen · A2

onder; op de benedenverdieping bijwoord

down; downstairs; below

Hij klom uit de boom naar beneden.Hij klom uit de boom naar beneden.

Wonen · A2

smalle ruimte in een huis of gebouw zelfstandig naamwoord

corridor, hallway; course

De wc is aan het eind van de gang.De wc is aan het eind van de gang.

Wonen · A2

meubel om op te zitten zelfstandig naamwoord

chair

Er is nog maar één stoel over.Er is nog maar één stoel over.

Wonen · A2

zijkant van een kamer of huis zelfstandig naamwoord

wall

Er hangt een klok aan de muur.Er hangt een klok aan de muur.

Wonen · A2

treden om naar boven te gaan zelfstandig naamwoord

stairs; staircase

Neem de trap naar de tweede verdieping.Neem de trap naar de tweede verdieping.

Wonen · A2

een huis of iets anders maken werkwoord

to build

Ze zullen een huis voor je bouwen.Ze zullen een huis voor je bouwen.

Wonen · A2

ding waarmee je een deur opent zelfstandig naamwoord

key

Volgens mij ben ik mijn sleutels kwijt.Volgens mij ben ik mijn sleutels kwijt.

Wonen · A2

eten geven aan een dier werkwoord

to feed; to conduct

Ik ben vergeten mijn hond te voeren.Ik ben vergeten mijn hond te voeren.

Wonen · A2

grote houten doos zelfstandig naamwoord

chest; box; coffin

Er zijn oude kleren in deze kist.Er zijn oude kleren in deze kist.

Wonen · A2

iets dat rinkelt als je drukt zelfstandig naamwoord

bell; doorbell; bubble

Ik hoorde de bel niet.Ik hoorde de bel niet.

Wonen · A2

dik lang koord zelfstandig naamwoord

rope

Maak het touw vast aan de boom.Maak het touw vast aan de boom.

Wonen · A2

huis, kantoor of ander bouwwerk zelfstandig naamwoord

building

Ik ben de eigenaar van dit gebouw.Ik ben de eigenaar van dit gebouw.

Wonen · A2

niet ver weg bijwoord

nearby; close

De supermarkt is hier dichtbij.De supermarkt is hier dichtbij.

Wonen · A2

kleren die gewassen moeten worden zelfstandig naamwoord

laundry; washing

Ik doe vandaag de was.Ik doe vandaag de was.

Wonen · A2

in vuur zijn; licht geven werkwoord

to burn

Er brandt nog licht in de keuken.Er brandt nog licht in de keuken.

Wonen · A2

bovenkant van een huis zelfstandig naamwoord

roof

Het dak van mijn huis is rood.Het dak van mijn huis is rood.

Wonen · A2

de buurt rondom zelfstandig naamwoord

surroundings; area

Is er een jeugdherberg hier in de omgeving?Is er een jeugdherberg hier in de omgeving?

Wonen · A2

nieuw, van deze tijd bijvoeglijk naamwoord

modern

Het is een modern huis.Het is een modern huis.

Wonen · A2

iets om een deur dicht te doen zelfstandig naamwoord

lock; end; castle

Heb je de deur op slot gedaan?Heb je de deur op slot gedaan?

Wonen · A2

vierkante bak van karton zelfstandig naamwoord

box

Ik kan dingen in een doos steken.Ik kan dingen in een doos steken.

Wonen · A2

op het vuur zetten; opbouwen werkwoord

to put on; to set up

Ik ga de ketel opzetten.Ik ga de ketel opzetten.

Wonen · A2

betalen om iets te mogen gebruiken werkwoord

to rent; to hire

Ik zou graag een auto willen huren.Ik zou graag een auto willen huren.

Wonen · A2

zacht ding voor je hoofd in bed zelfstandig naamwoord

pillow; cushion

Ik slaap graag met twee kussens.Ik slaap graag met twee kussens.

Wonen · A2

iets dat licht geeft zelfstandig naamwoord

lamp; light

De lampen zijn aan in de keuken.De lampen zijn aan in de keuken.

Wonen · A2

een gat in de grond maken werkwoord

to dig

Heb je iets om mee te graven?Heb je iets om mee te graven?

Wonen · A2

goed voor een bepaald doel bijvoeglijk naamwoord

suitable; fit

Dit huis is geschikt voor een gezin met kinderen.Dit huis is geschikt voor een gezin met kinderen.

Wonen · A2

stuk; heel moe bijvoeglijk naamwoord

broken; exhausted

Het lijkt erop dat het kapot is.Het lijkt erop dat het kapot is.

Wonen · A2

het materiaal van bomen zelfstandig naamwoord

wood

Dit oude huis is gemaakt van hout.Dit oude huis is gemaakt van hout.

Wonen · A2

kan goed snijden bijvoeglijk naamwoord

sharp

Dit mes is niet scherp genoeg.Dit mes is niet scherp genoeg.

Wonen · A2

van wie iets is zelfstandig naamwoord

owner

Is hij de eigenaar van die auto?Is hij de eigenaar van die auto?

Wonen · A2

heel dichtbij bijwoord

nearby; close by

Er is een park vlakbij mijn huis.Er is een park vlakbij mijn huis.

Wonen · A2

over de grond duwen werkwoord

to push; to slide

Kun je je stoel een beetje naar links schuiven?Kun je je stoel een beetje naar links schuiven?

Wonen · A2

een klein eenvoudig huisje zelfstandig naamwoord

hut; cabin

Tom kon niemand in de hut vinden.Tom kon niemand in de hut vinden.

Wonen · A2

vuil poeder; materiaal voor kleding zelfstandig naamwoord

dust; fabric; substance

Er ligt stof op de tafel.Er ligt stof op de tafel.

Wonen · A2

glas waarin je jezelf ziet zelfstandig naamwoord

mirror

Hang de spiegel aan de muur.Hang de spiegel aan de muur.

Wonen · A2

iets groens dat groeit zelfstandig naamwoord

plant

Vergeet niet de planten water te geven.Vergeet niet de planten water te geven.

Wonen · A2

iemand die naast je woont zelfstandig naamwoord

neighbour

Tom is de zoon van mijn buur.Tom is de zoon van mijn buur.

Wonen · A2

met verf een kleur of plaatje maken werkwoord

to paint

Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.

Wonen · A2

een grote deur in een muur of hek zelfstandig naamwoord

gate

Ik parkeerde mijn auto bij de poort.Ik parkeerde mijn auto bij de poort.

Wonen · A2

zonder hoeken, als een cirkel bijvoeglijk naamwoord

round

De tafel in onze keuken is rond.De tafel in onze keuken is rond.

Wonen · A2

warme doek op je bed zelfstandig naamwoord

blanket

Ze heeft zich in een deken gewikkeld.Ze heeft zich in een deken gewikkeld.

Wonen · A2

klein gebouw om spullen te bewaren zelfstandig naamwoord

shed; barn

Tom heeft een oude schuur gerestaureerd.Tom heeft een oude schuur gerestaureerd.

Wonen · A2

met een bezem schoonmaken werkwoord

to sweep; to wipe

Vergeet niet de keuken te vegen.Vergeet niet de keuken te vegen.

Wonen · A2

buis; iets om tabak in te roken zelfstandig naamwoord

pipe

De pijp onder de gootsteen lekt.De pijp onder de gootsteen lekt.

Wonen · A2

stuk stof om schoon te maken zelfstandig naamwoord

cloth; (het) canvas, screen

Maak het raam schoon met een vochtige doek.Maak het raam schoon met een vochtige doek.

Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.