Wonen · A2
ver boven de grond bijvoeglijk naamwoord
high; tall
Mijn gasrekening vorige maand was erg hoog.Mijn gasrekening vorige maand was erg hoog.VoorbereidenWoordenschat
Woordenschat
Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.
147 woordenWoorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.
Thema:
147 woorden
Wonen · A2
ver boven de grond bijvoeglijk naamwoord
high; tall
Mijn gasrekening vorige maand was erg hoog.Mijn gasrekening vorige maand was erg hoog.Wonen · A2
vastzitten aan iets boven de grond werkwoord
to hang
Er hangt een klok aan de muur.Er hangt een klok aan de muur.Wonen · A2
de omgeving waar je woont zelfstandig naamwoord
neighbourhood; vicinity
Is er een geldautomaat in de buurt?Is er een geldautomaat in de buurt?Wonen · A2
onder; op de benedenverdieping bijwoord
down; downstairs; below
Hij klom uit de boom naar beneden.Hij klom uit de boom naar beneden.Wonen · A2
smalle ruimte in een huis of gebouw zelfstandig naamwoord
corridor, hallway; course
De wc is aan het eind van de gang.De wc is aan het eind van de gang.Wonen · A2
meubel om op te zitten zelfstandig naamwoord
chair
Er is nog maar één stoel over.Er is nog maar één stoel over.Wonen · A2
zijkant van een kamer of huis zelfstandig naamwoord
wall
Er hangt een klok aan de muur.Er hangt een klok aan de muur.Wonen · A2
treden om naar boven te gaan zelfstandig naamwoord
stairs; staircase
Neem de trap naar de tweede verdieping.Neem de trap naar de tweede verdieping.Wonen · A2
een huis of iets anders maken werkwoord
to build
Ze zullen een huis voor je bouwen.Ze zullen een huis voor je bouwen.Wonen · A2
ding waarmee je een deur opent zelfstandig naamwoord
key
Volgens mij ben ik mijn sleutels kwijt.Volgens mij ben ik mijn sleutels kwijt.Wonen · A2
eten geven aan een dier werkwoord
to feed; to conduct
Ik ben vergeten mijn hond te voeren.Ik ben vergeten mijn hond te voeren.Wonen · A2
grote houten doos zelfstandig naamwoord
chest; box; coffin
Er zijn oude kleren in deze kist.Er zijn oude kleren in deze kist.Wonen · A2
iets dat rinkelt als je drukt zelfstandig naamwoord
bell; doorbell; bubble
Ik hoorde de bel niet.Ik hoorde de bel niet.Wonen · A2
dik lang koord zelfstandig naamwoord
rope
Maak het touw vast aan de boom.Maak het touw vast aan de boom.Wonen · A2
huis, kantoor of ander bouwwerk zelfstandig naamwoord
building
Ik ben de eigenaar van dit gebouw.Ik ben de eigenaar van dit gebouw.Wonen · A2
niet ver weg bijwoord
nearby; close
De supermarkt is hier dichtbij.De supermarkt is hier dichtbij.Wonen · A2
kleren die gewassen moeten worden zelfstandig naamwoord
laundry; washing
Ik doe vandaag de was.Ik doe vandaag de was.Wonen · A2
in vuur zijn; licht geven werkwoord
to burn
Er brandt nog licht in de keuken.Er brandt nog licht in de keuken.Wonen · A2
bovenkant van een huis zelfstandig naamwoord
roof
Het dak van mijn huis is rood.Het dak van mijn huis is rood.Wonen · A2
de buurt rondom zelfstandig naamwoord
surroundings; area
Is er een jeugdherberg hier in de omgeving?Is er een jeugdherberg hier in de omgeving?Wonen · A2
nieuw, van deze tijd bijvoeglijk naamwoord
modern
Het is een modern huis.Het is een modern huis.Wonen · A2
iets om een deur dicht te doen zelfstandig naamwoord
lock; end; castle
Heb je de deur op slot gedaan?Heb je de deur op slot gedaan?Wonen · A2
vierkante bak van karton zelfstandig naamwoord
box
Ik kan dingen in een doos steken.Ik kan dingen in een doos steken.Wonen · A2
op het vuur zetten; opbouwen werkwoord
to put on; to set up
Ik ga de ketel opzetten.Ik ga de ketel opzetten.Wonen · A2
betalen om iets te mogen gebruiken werkwoord
to rent; to hire
Ik zou graag een auto willen huren.Ik zou graag een auto willen huren.Wonen · A2
zacht ding voor je hoofd in bed zelfstandig naamwoord
pillow; cushion
Ik slaap graag met twee kussens.Ik slaap graag met twee kussens.Wonen · A2
iets dat licht geeft zelfstandig naamwoord
lamp; light
De lampen zijn aan in de keuken.De lampen zijn aan in de keuken.Wonen · A2
een gat in de grond maken werkwoord
to dig
Heb je iets om mee te graven?Heb je iets om mee te graven?Wonen · A2
goed voor een bepaald doel bijvoeglijk naamwoord
suitable; fit
Dit huis is geschikt voor een gezin met kinderen.Dit huis is geschikt voor een gezin met kinderen.Wonen · A2
stuk; heel moe bijvoeglijk naamwoord
broken; exhausted
Het lijkt erop dat het kapot is.Het lijkt erop dat het kapot is.Wonen · A2
het materiaal van bomen zelfstandig naamwoord
wood
Dit oude huis is gemaakt van hout.Dit oude huis is gemaakt van hout.Wonen · A2
kan goed snijden bijvoeglijk naamwoord
sharp
Dit mes is niet scherp genoeg.Dit mes is niet scherp genoeg.Wonen · A2
van wie iets is zelfstandig naamwoord
owner
Is hij de eigenaar van die auto?Is hij de eigenaar van die auto?Wonen · A2
heel dichtbij bijwoord
nearby; close by
Er is een park vlakbij mijn huis.Er is een park vlakbij mijn huis.Wonen · A2
over de grond duwen werkwoord
to push; to slide
Kun je je stoel een beetje naar links schuiven?Kun je je stoel een beetje naar links schuiven?Wonen · A2
een klein eenvoudig huisje zelfstandig naamwoord
hut; cabin
Tom kon niemand in de hut vinden.Tom kon niemand in de hut vinden.Wonen · A2
vuil poeder; materiaal voor kleding zelfstandig naamwoord
dust; fabric; substance
Er ligt stof op de tafel.Er ligt stof op de tafel.Wonen · A2
glas waarin je jezelf ziet zelfstandig naamwoord
mirror
Hang de spiegel aan de muur.Hang de spiegel aan de muur.Wonen · A2
iets groens dat groeit zelfstandig naamwoord
plant
Vergeet niet de planten water te geven.Vergeet niet de planten water te geven.Wonen · A2
iemand die naast je woont zelfstandig naamwoord
neighbour
Tom is de zoon van mijn buur.Tom is de zoon van mijn buur.Wonen · A2
met verf een kleur of plaatje maken werkwoord
to paint
Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.Wonen · A2
een grote deur in een muur of hek zelfstandig naamwoord
gate
Ik parkeerde mijn auto bij de poort.Ik parkeerde mijn auto bij de poort.Wonen · A2
zonder hoeken, als een cirkel bijvoeglijk naamwoord
round
De tafel in onze keuken is rond.De tafel in onze keuken is rond.Wonen · A2
warme doek op je bed zelfstandig naamwoord
blanket
Ze heeft zich in een deken gewikkeld.Ze heeft zich in een deken gewikkeld.Wonen · A2
klein gebouw om spullen te bewaren zelfstandig naamwoord
shed; barn
Tom heeft een oude schuur gerestaureerd.Tom heeft een oude schuur gerestaureerd.Wonen · A2
met een bezem schoonmaken werkwoord
to sweep; to wipe
Vergeet niet de keuken te vegen.Vergeet niet de keuken te vegen.Wonen · A2
buis; iets om tabak in te roken zelfstandig naamwoord
pipe
De pijp onder de gootsteen lekt.De pijp onder de gootsteen lekt.Wonen · A2
stuk stof om schoon te maken zelfstandig naamwoord
cloth; (het) canvas, screen
Maak het raam schoon met een vochtige doek.Maak het raam schoon met een vochtige doek.Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.