Naar inhoud

VoorbereidenWoordenschat

Woordenschat

Examenwoorden

Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.

131 woorden
NederlandInburgering B1 · route 2021Dagelijkse routine + officiële bronnen · voorbeeldvragen

Kies een dagelijkse situatie

Woorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.

Thema:

Eten en drinken

131 woorden

Niveau

Eten en drinken · A1

voedsel in je mond nemen werkwoord

to eat

Ik ben een peer aan het eten.Ik ben een peer aan het eten.

Eten en drinken · A1

met plezier bijwoord

gladly; with pleasure

Ik wil graag een kop thee.Ik wil graag een kop thee.

Eten en drinken · A1

niet met voorzetsel

without

Ik drink koffie zonder suiker.Ik drink koffie zonder suiker.

Eten en drinken · A1

vloeistof om te drinken zelfstandig naamwoord

water

Ik zou graag wat meer water willen.Ik zou graag wat meer water willen.

Eten en drinken · A1

vloeistof in je mond nemen werkwoord

to drink

Wil je iets drinken?Wil je iets drinken?

Eten en drinken · A1

goed van smaak; fijn bijvoeglijk naamwoord

tasty; delicious; nice

Het eten ziet er erg lekker uit.Het eten ziet er erg lekker uit.

Eten en drinken · A1

iets ergens neerzetten werkwoord

to put; to place; to make (coffee)

Zal ik koffie zetten?Zal ik koffie zetten?

Eten en drinken · A1

wat je eet; de maaltijd zelfstandig naamwoord

food; meal

Het eten staat op tafel.Het eten staat op tafel.

Eten en drinken · A1

warme drank van bonen zelfstandig naamwoord

coffee

Geeft u me een kopje koffie, alstublieft?Geeft u me een kopje koffie, alstublieft?

Eten en drinken · A1

beker; hoofd zelfstandig naamwoord

cup, mug; head; headline

Wil je een kop koffie?Wil je een kop koffie?

Eten en drinken · A1

warme drank van blaadjes zelfstandig naamwoord

tea

Wat denk je van een kop thee?Wat denk je van een kop thee?

Eten en drinken · A1

alcoholische drank van graan zelfstandig naamwoord

beer

Ik heb nog een kratje bier gekocht.Ik heb nog een kratje bier gekocht.

Eten en drinken · A1

glazen of plastic ding voor drinken zelfstandig naamwoord

bottle

Er is geen wijn in de fles.Er is geen wijn in de fles.

Eten en drinken · A1

zin in eten zelfstandig naamwoord

hunger

Ik wist dat je honger zou hebben.Ik wist dat je honger zou hebben.

Eten en drinken · A1

eten van een dier zelfstandig naamwoord

meat; flesh

Je kan niet alleen maar vlees eten.Je kan niet alleen maar vlees eten.

Eten en drinken · A1

plek waar je iets kunt drinken zelfstandig naamwoord

café; pub

Vlak om de hoek is er een café.Vlak om de hoek is er een café.

Eten en drinken · A1

witte drank van een koe zelfstandig naamwoord

milk

Wil je melk in je koffie?Wil je melk in je koffie?

Eten en drinken · A1

plat ding om van te eten; bord langs de weg zelfstandig naamwoord

plate; sign; board

De ober kwam met een nieuw bord.De ober kwam met een nieuw bord.

Eten en drinken · A1

plek waar je betaalt om te eten zelfstandig naamwoord

restaurant

Ik heb een goed Mexicaans restaurant gevonden.Ik heb een goed Mexicaans restaurant gevonden.

Eten en drinken · A2

een deel van iets zelfstandig naamwoord

piece; part

Ik heb het laatste stuk pizza opgegeten.Ik heb het laatste stuk pizza opgegeten.

Eten en drinken · A2

erg lekker; fijn bijvoeglijk naamwoord

delicious; lovely

Watermeloen smaakt heerlijk op een hete dag.Watermeloen smaakt heerlijk op een hete dag.

Eten en drinken · A2

eten gebakken van meel zelfstandig naamwoord

bread

De jongen is brood aan het eten.De jongen is brood aan het eten.

Eten en drinken · A2

drinkbeker; doorzichtig materiaal zelfstandig naamwoord

glass

Ik zou wel een glas water willen.Ik zou wel een glas water willen.

Eten en drinken · A2

drank van druiven zelfstandig naamwoord

wine

Ik zal wat wijn voor je halen.Ik zal wat wijn voor je halen.

Eten en drinken · A2

dier dat in het water leeft zelfstandig naamwoord

fish

Gisteren heb ik een grote vis gevangen.Gisteren heb ik een grote vis gevangen.

Eten en drinken · A2

eten klaarmaken; heet worden tot 100 graden werkwoord

to cook; to boil

Tom zegt dat hij goed kan koken.Tom zegt dat hij goed kan koken.

Eten en drinken · A2

iets om te drinken, vaak alcohol zelfstandig naamwoord

drink; alcohol

Drank is slecht voor de gezondheid.Drank is slecht voor de gezondheid.

Eten en drinken · A2

eten zelfstandig naamwoord

food

Zout helpt voedsel te conserveren tegen bederf.Zout helpt voedsel te conserveren tegen bederf.

Eten en drinken · A2

eerste maaltijd van de dag zelfstandig naamwoord

breakfast

Ik poets mijn tanden na het ontbijt.Ik poets mijn tanden na het ontbijt.

Eten en drinken · A2

iets met anderen samen hebben werkwoord

to share; to divide

Zullen we de pizza delen?Zullen we de pizza delen?

Eten en drinken · A1

dat leggen kippen zelfstandig naamwoord

egg

Ik eet elke ochtend een gekookt ei.Ik eet elke ochtend een gekookt ei.

Eten en drinken · A1

appels, peren, bananen enzovoort zelfstandig naamwoord

fruit

Vers fruit is goed voor je gezondheid.Vers fruit is goed voor je gezondheid.

Eten en drinken · A1

bijv. wortels, sla, spinazie zelfstandig naamwoord

vegetable

Hoe heet deze groente in het Engels?Hoe heet deze groente in het Engels?

Eten en drinken · A1

wat je het leukst vindt bijvoeglijk naamwoord

favourite

Wat is je favoriete gerecht?Wat is je favoriete gerecht?

Eten en drinken · A1

dun, met weinig vet bijvoeglijk naamwoord

thin; lean

Mager vlees is gezonder dan vet vlees.Mager vlees is gezonder dan vet vlees.

Eten en drinken · A1

zoet gebak, bijvoorbeeld op een verjaardag zelfstandig naamwoord

cake; pie

Tom is een taart aan het bakken.Tom is een taart aan het bakken.

Eten en drinken · A1

groente die onder de grond groeit zelfstandig naamwoord

potato

Tom heeft een grote zak aardappelen gekocht.Tom heeft een grote zak aardappelen gekocht.

Eten en drinken · A1

met veel suiker bijvoeglijk naamwoord

sweet

Deze thee is te zoet voor mij.Deze thee is te zoet voor mij.

Eten en drinken · A1

snee brood met beleg zelfstandig naamwoord

slice of bread; sandwich

Tom was een boterham aan het eten.Tom was een boterham aan het eten.

Eten en drinken · A1

gebakken zoet ding zelfstandig naamwoord

cake; biscuit

Proef deze koek eens.Proef deze koek eens.

Eten en drinken · A1

ronde vrucht zelfstandig naamwoord

apple

Ik ben een appel aan het eten.Ik ben een appel aan het eten.

Eten en drinken · A1

Italiaans gerecht zelfstandig naamwoord

pizza

Ik heb pizza besteld met de telefoon.Ik heb pizza besteld met de telefoon.

Eten en drinken · A1

warm eten van melk en granen zelfstandig naamwoord

porridge; (informal) dad

Mijn kinderen eten 's ochtends graag pap.Mijn kinderen eten 's ochtends graag pap.

Eten en drinken · A1

zoet eten van cacao zelfstandig naamwoord

chocolate

Soms wil je gewoon chocola eten.Soms wil je gewoon chocola eten.

Eten en drinken · A1

een zoet drankje zonder alcohol zelfstandig naamwoord

soft drink; soda

We bestelden friet en frisdrank.We bestelden friet en frisdrank.

Eten en drinken · A2

eten gemaakt van melk zelfstandig naamwoord

cheese

Uit melk maken we kaas en boter.Uit melk maken we kaas en boter.

Eten en drinken · A2

bevroren water; iets kouds en zoets zelfstandig naamwoord

ice; ice cream

De meeste kinderen zijn dol op ijs.De meeste kinderen zijn dol op ijs.

Eten en drinken · A2

een vogel op de boerderij; het vlees daarvan zelfstandig naamwoord

chicken

De kip was een beetje droog.De kip was een beetje droog.

Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.