Wonen · A1
een gebouw om in te wonen zelfstandig naamwoord
house; home
Wij hebben een huis met een tuin.Wij hebben een huis met een tuin.VoorbereidenWoordenschat
Woordenschat
Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.
209 woordenWoorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.
Thema:
209 woorden
Wonen · A1
een gebouw om in te wonen zelfstandig naamwoord
house; home
Wij hebben een huis met een tuin.Wij hebben een huis met een tuin.Wonen · A1
een ruimte in een huis zelfstandig naamwoord
room
Het nummer van mijn kamer is 5.Het nummer van mijn kamer is 5.Wonen · A1
een huis hebben op een plek werkwoord
to live (reside)
Waar woont u?Waar woont u?Wonen · A1
meubel om op te slapen zelfstandig naamwoord
bed
Je kan maar beter naar bed gaan.Je kan maar beter naar bed gaan.Wonen · A1
in je eigen huis bijwoord
at home
Ik hoop dat je je thuis voelt.Ik hoop dat je je thuis voelt.Wonen · A1
je gaat erdoor een kamer in zelfstandig naamwoord
door
Doe de deur dicht, alsjeblieft.Doe de deur dicht, alsjeblieft.Wonen · A1
iets plat neerzetten werkwoord
to lay; to put
Leg de sleutels maar op de tafel.Leg de sleutels maar op de tafel.Wonen · A1
hoger dan voorzetsel
above; over
Wij wonen boven een winkel.Wij wonen boven een winkel.Wonen · A1
meubel om aan te eten zelfstandig naamwoord
table
Ik ben de tafel aan het afvegen.Ik ben de tafel aan het afvegen.Wonen · A1
glas in de muur zelfstandig naamwoord
window
Je hebt een raam open laten staan.Je hebt een raam open laten staan.Wonen · A1
tapijt; tafelkleed zelfstandig naamwoord
rug; cloth; (Belgian) dress
Er ligt een groot kleed op de vloer.Er ligt een groot kleed op de vloer.Wonen · A1
niet hard bijvoeglijk naamwoord
soft; gentle; quiet
Ik slaap graag in een zacht bed.Ik slaap graag in een zacht bed.Wonen · A1
kamer waar je kookt zelfstandig naamwoord
kitchen; cuisine
We eten meestal in de keuken.We eten meestal in de keuken.Wonen · A1
stuk grond bij je huis met planten zelfstandig naamwoord
garden
De kinderen spelen in de tuin.De kinderen spelen in de tuin.Wonen · A1
kleine plaats op het platteland zelfstandig naamwoord
village
Tom groeide op in een klein dorp.Tom groeide op in een klein dorp.Wonen · A1
kamer waar je slaapt zelfstandig naamwoord
bedroom
Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.Wonen · A1
plaats zelfstandig naamwoord
space; room
Deze bank neemt te veel ruimte in.Deze bank neemt te veel ruimte in.Wonen · A1
met veel plaats; meer dan genoeg bijvoeglijk naamwoord
spacious; ample; well over
Ons nieuwe huis is licht en ruim.Ons nieuwe huis is licht en ruim.Wonen · A1
huisdier dat miauwt zelfstandig naamwoord
cat
Ik heb een kat en een hond.Ik heb een kat en een hond.Wonen · A1
meubel om spullen in te bewaren zelfstandig naamwoord
cupboard; closet
Wat zit er in de kast?Wat zit er in de kast?Wonen · A1
niet vies bijvoeglijk naamwoord
clean
Ik maak elke maandag mijn kamer schoon.Ik maak elke maandag mijn kamer schoon.Wonen · A1
kamer met een douche of bad zelfstandig naamwoord
bathroom
Er is een spin in de badkamer.Er is een spin in de badkamer.Wonen · A1
schoonmaken met water en zeep werkwoord
to wash
Ik ben mijn handen vergeten te wassen.Ik ben mijn handen vergeten te wassen.Wonen · A2
ver boven de grond bijvoeglijk naamwoord
high; tall
Mijn gasrekening vorige maand was erg hoog.Mijn gasrekening vorige maand was erg hoog.Wonen · A2
vastzitten aan iets boven de grond werkwoord
to hang
Er hangt een klok aan de muur.Er hangt een klok aan de muur.Wonen · A2
de omgeving waar je woont zelfstandig naamwoord
neighbourhood; vicinity
Is er een geldautomaat in de buurt?Is er een geldautomaat in de buurt?Wonen · A2
onder; op de benedenverdieping bijwoord
down; downstairs; below
Hij klom uit de boom naar beneden.Hij klom uit de boom naar beneden.Wonen · A2
smalle ruimte in een huis of gebouw zelfstandig naamwoord
corridor, hallway; course
De wc is aan het eind van de gang.De wc is aan het eind van de gang.Wonen · A2
meubel om op te zitten zelfstandig naamwoord
chair
Er is nog maar één stoel over.Er is nog maar één stoel over.Wonen · A2
zijkant van een kamer of huis zelfstandig naamwoord
wall
Er hangt een klok aan de muur.Er hangt een klok aan de muur.Wonen · A2
treden om naar boven te gaan zelfstandig naamwoord
stairs; staircase
Neem de trap naar de tweede verdieping.Neem de trap naar de tweede verdieping.Wonen · A2
een huis of iets anders maken werkwoord
to build
Ze zullen een huis voor je bouwen.Ze zullen een huis voor je bouwen.Wonen · A2
ding waarmee je een deur opent zelfstandig naamwoord
key
Volgens mij ben ik mijn sleutels kwijt.Volgens mij ben ik mijn sleutels kwijt.Wonen · A2
eten geven aan een dier werkwoord
to feed; to conduct
Ik ben vergeten mijn hond te voeren.Ik ben vergeten mijn hond te voeren.Wonen · A2
grote houten doos zelfstandig naamwoord
chest; box; coffin
Er zijn oude kleren in deze kist.Er zijn oude kleren in deze kist.Wonen · A2
iets dat rinkelt als je drukt zelfstandig naamwoord
bell; doorbell; bubble
Ik hoorde de bel niet.Ik hoorde de bel niet.Wonen · A2
dik lang koord zelfstandig naamwoord
rope
Maak het touw vast aan de boom.Maak het touw vast aan de boom.Wonen · A2
huis, kantoor of ander bouwwerk zelfstandig naamwoord
building
Ik ben de eigenaar van dit gebouw.Ik ben de eigenaar van dit gebouw.Wonen · A2
niet ver weg bijwoord
nearby; close
De supermarkt is hier dichtbij.De supermarkt is hier dichtbij.Wonen · A2
kleren die gewassen moeten worden zelfstandig naamwoord
laundry; washing
Ik doe vandaag de was.Ik doe vandaag de was.Wonen · A2
in vuur zijn; licht geven werkwoord
to burn
Er brandt nog licht in de keuken.Er brandt nog licht in de keuken.Wonen · A2
bovenkant van een huis zelfstandig naamwoord
roof
Het dak van mijn huis is rood.Het dak van mijn huis is rood.Wonen · A1
naar een ander huis gaan wonen werkwoord
to move (house)
Tom en Mary willen naar Australië verhuizen.Tom en Mary willen naar Australië verhuizen.Wonen · A1
niet schoon; niet lekker bijvoeglijk naamwoord
dirty; disgusting
Waarom is mijn bril altijd zo vies?Waarom is mijn bril altijd zo vies?Wonen · A1
een huis of flat waar je woont zelfstandig naamwoord
home; dwelling
Mijn woning is op de vierde verdieping.Mijn woning is op de vierde verdieping.Wonen · A1
de wc zelfstandig naamwoord
toilet
Ik moet even naar het toilet.Ik moet even naar het toilet.Wonen · A1
een woning in een groot gebouw zelfstandig naamwoord
apartment; flat
Ik woon in een heel klein appartement.Ik woon in een heel klein appartement.Wonen · A1
de kamer waar je samen zit zelfstandig naamwoord
living room
Tom ligt in de woonkamer op de bank te slapen.Tom ligt in de woonkamer op de bank te slapen.Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.