Naar inhoud

VoorbereidenWoordenschat

Woordenschat

Examenwoorden

Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.

209 woorden
NederlandInburgering B1 · route 2021Dagelijkse routine + officiële bronnen · voorbeeldvragen

Kies een dagelijkse situatie

Woorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.

Thema:

Wonen

209 woorden

Niveau

Wonen · A1

een gebouw om in te wonen zelfstandig naamwoord

house; home

Wij hebben een huis met een tuin.Wij hebben een huis met een tuin.

Wonen · A1

een ruimte in een huis zelfstandig naamwoord

room

Het nummer van mijn kamer is 5.Het nummer van mijn kamer is 5.

Wonen · A1

een huis hebben op een plek werkwoord

to live (reside)

Waar woont u?Waar woont u?

Wonen · A1

meubel om op te slapen zelfstandig naamwoord

bed

Je kan maar beter naar bed gaan.Je kan maar beter naar bed gaan.

Wonen · A1

in je eigen huis bijwoord

at home

Ik hoop dat je je thuis voelt.Ik hoop dat je je thuis voelt.

Wonen · A1

je gaat erdoor een kamer in zelfstandig naamwoord

door

Doe de deur dicht, alsjeblieft.Doe de deur dicht, alsjeblieft.

Wonen · A1

iets plat neerzetten werkwoord

to lay; to put

Leg de sleutels maar op de tafel.Leg de sleutels maar op de tafel.

Wonen · A1

hoger dan voorzetsel

above; over

Wij wonen boven een winkel.Wij wonen boven een winkel.

Wonen · A1

meubel om aan te eten zelfstandig naamwoord

table

Ik ben de tafel aan het afvegen.Ik ben de tafel aan het afvegen.

Wonen · A1

glas in de muur zelfstandig naamwoord

window

Je hebt een raam open laten staan.Je hebt een raam open laten staan.

Wonen · A1

tapijt; tafelkleed zelfstandig naamwoord

rug; cloth; (Belgian) dress

Er ligt een groot kleed op de vloer.Er ligt een groot kleed op de vloer.

Wonen · A1

niet hard bijvoeglijk naamwoord

soft; gentle; quiet

Ik slaap graag in een zacht bed.Ik slaap graag in een zacht bed.

Wonen · A1

kamer waar je kookt zelfstandig naamwoord

kitchen; cuisine

We eten meestal in de keuken.We eten meestal in de keuken.

Wonen · A1

stuk grond bij je huis met planten zelfstandig naamwoord

garden

De kinderen spelen in de tuin.De kinderen spelen in de tuin.

Wonen · A1

kleine plaats op het platteland zelfstandig naamwoord

village

Tom groeide op in een klein dorp.Tom groeide op in een klein dorp.

Wonen · A1

kamer waar je slaapt zelfstandig naamwoord

bedroom

Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.

Wonen · A1

plaats zelfstandig naamwoord

space; room

Deze bank neemt te veel ruimte in.Deze bank neemt te veel ruimte in.

Wonen · A1

met veel plaats; meer dan genoeg bijvoeglijk naamwoord

spacious; ample; well over

Ons nieuwe huis is licht en ruim.Ons nieuwe huis is licht en ruim.

Wonen · A1

huisdier dat miauwt zelfstandig naamwoord

cat

Ik heb een kat en een hond.Ik heb een kat en een hond.

Wonen · A1

meubel om spullen in te bewaren zelfstandig naamwoord

cupboard; closet

Wat zit er in de kast?Wat zit er in de kast?

Wonen · A1

niet vies bijvoeglijk naamwoord

clean

Ik maak elke maandag mijn kamer schoon.Ik maak elke maandag mijn kamer schoon.

Wonen · A1

kamer met een douche of bad zelfstandig naamwoord

bathroom

Er is een spin in de badkamer.Er is een spin in de badkamer.

Wonen · A1

schoonmaken met water en zeep werkwoord

to wash

Ik ben mijn handen vergeten te wassen.Ik ben mijn handen vergeten te wassen.

Wonen · A2

ver boven de grond bijvoeglijk naamwoord

high; tall

Mijn gasrekening vorige maand was erg hoog.Mijn gasrekening vorige maand was erg hoog.

Wonen · A2

vastzitten aan iets boven de grond werkwoord

to hang

Er hangt een klok aan de muur.Er hangt een klok aan de muur.

Wonen · A2

de omgeving waar je woont zelfstandig naamwoord

neighbourhood; vicinity

Is er een geldautomaat in de buurt?Is er een geldautomaat in de buurt?

Wonen · A2

onder; op de benedenverdieping bijwoord

down; downstairs; below

Hij klom uit de boom naar beneden.Hij klom uit de boom naar beneden.

Wonen · A2

smalle ruimte in een huis of gebouw zelfstandig naamwoord

corridor, hallway; course

De wc is aan het eind van de gang.De wc is aan het eind van de gang.

Wonen · A2

meubel om op te zitten zelfstandig naamwoord

chair

Er is nog maar één stoel over.Er is nog maar één stoel over.

Wonen · A2

zijkant van een kamer of huis zelfstandig naamwoord

wall

Er hangt een klok aan de muur.Er hangt een klok aan de muur.

Wonen · A2

treden om naar boven te gaan zelfstandig naamwoord

stairs; staircase

Neem de trap naar de tweede verdieping.Neem de trap naar de tweede verdieping.

Wonen · A2

een huis of iets anders maken werkwoord

to build

Ze zullen een huis voor je bouwen.Ze zullen een huis voor je bouwen.

Wonen · A2

ding waarmee je een deur opent zelfstandig naamwoord

key

Volgens mij ben ik mijn sleutels kwijt.Volgens mij ben ik mijn sleutels kwijt.

Wonen · A2

eten geven aan een dier werkwoord

to feed; to conduct

Ik ben vergeten mijn hond te voeren.Ik ben vergeten mijn hond te voeren.

Wonen · A2

grote houten doos zelfstandig naamwoord

chest; box; coffin

Er zijn oude kleren in deze kist.Er zijn oude kleren in deze kist.

Wonen · A2

iets dat rinkelt als je drukt zelfstandig naamwoord

bell; doorbell; bubble

Ik hoorde de bel niet.Ik hoorde de bel niet.

Wonen · A2

dik lang koord zelfstandig naamwoord

rope

Maak het touw vast aan de boom.Maak het touw vast aan de boom.

Wonen · A2

huis, kantoor of ander bouwwerk zelfstandig naamwoord

building

Ik ben de eigenaar van dit gebouw.Ik ben de eigenaar van dit gebouw.

Wonen · A2

niet ver weg bijwoord

nearby; close

De supermarkt is hier dichtbij.De supermarkt is hier dichtbij.

Wonen · A2

kleren die gewassen moeten worden zelfstandig naamwoord

laundry; washing

Ik doe vandaag de was.Ik doe vandaag de was.

Wonen · A2

in vuur zijn; licht geven werkwoord

to burn

Er brandt nog licht in de keuken.Er brandt nog licht in de keuken.

Wonen · A2

bovenkant van een huis zelfstandig naamwoord

roof

Het dak van mijn huis is rood.Het dak van mijn huis is rood.

Wonen · A1

naar een ander huis gaan wonen werkwoord

to move (house)

Tom en Mary willen naar Australië verhuizen.Tom en Mary willen naar Australië verhuizen.

Wonen · A1

niet schoon; niet lekker bijvoeglijk naamwoord

dirty; disgusting

Waarom is mijn bril altijd zo vies?Waarom is mijn bril altijd zo vies?

Wonen · A1

een huis of flat waar je woont zelfstandig naamwoord

home; dwelling

Mijn woning is op de vierde verdieping.Mijn woning is op de vierde verdieping.

Wonen · A1

de wc zelfstandig naamwoord

toilet

Ik moet even naar het toilet.Ik moet even naar het toilet.

Wonen · A1

een woning in een groot gebouw zelfstandig naamwoord

apartment; flat

Ik woon in een heel klein appartement.Ik woon in een heel klein appartement.

Wonen · A1

de kamer waar je samen zit zelfstandig naamwoord

living room

Tom ligt in de woonkamer op de bank te slapen.Tom ligt in de woonkamer op de bank te slapen.

Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.