Weer en natuur · A1
naar beneden gaan werkwoord
to fall
In de herfst vallen de bladeren af.In de herfst vallen de bladeren af.VoorbereidenWoordenschat
Woordenschat
Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.
151 woordenWoorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.
Thema:
151 woorden
Weer en natuur · A1
naar beneden gaan werkwoord
to fall
In de herfst vallen de bladeren af.In de herfst vallen de bladeren af.Weer en natuur · A1
niet zacht; snel bijvoeglijk naamwoord
hard; loud; fast
Het regende hard de hele dag door.Het regende hard de hele dag door.Weer en natuur · A1
de aarde onder je voeten zelfstandig naamwoord
ground; soil; reason
Er viel een appel op de grond.Er viel een appel op de grond.Weer en natuur · A1
groot zout water zelfstandig naamwoord
sea
Ze heeft een huis aan de zee.Ze heeft een huis aan de zee.Weer en natuur · A1
de ster die ons licht geeft zelfstandig naamwoord
sun
De zon schijnt vandaag.De zon schijnt vandaag.Weer en natuur · A1
niet warm bijvoeglijk naamwoord
cold
Waarom is het hier binnen zo koud?Waarom is het hier binnen zo koud?Weer en natuur · A1
land met overal water omheen zelfstandig naamwoord
island
Het eiland is het hele jaar warm.Het eiland is het hele jaar warm.Weer en natuur · A1
het koude seizoen zelfstandig naamwoord
winter
Ik ging vaak in de winter skiën.Ik ging vaak in de winter skiën.Weer en natuur · A2
anders worden of maken werkwoord
to change
Het weer verandert hier snel.Het weer verandert hier snel.Weer en natuur · A2
een levend wezen, geen mens of plant zelfstandig naamwoord
animal
Heb je al eens een dier getekend?Heb je al eens een dier getekend?Weer en natuur · A2
niet koud bijvoeglijk naamwoord
warm; hot
Het is de hele week al warm.Het is de hele week al warm.Weer en natuur · A2
zonder licht bijvoeglijk naamwoord
dark
Het was erg donker in de kamer.Het was erg donker in de kamer.Weer en natuur · A2
hoe het buiten is: zon, regen, wind zelfstandig naamwoord
weather
Wat voor weer wordt het morgen?Wat voor weer wordt het morgen?Weer en natuur · A2
grote plant met een stam zelfstandig naamwoord
tree
Een beer kan in een boom klimmen.Een beer kan in een boom klimmen.Weer en natuur · A2
plek met veel bomen zelfstandig naamwoord
forest; woods
Tom is in het bos verdwaald geraakt.Tom is in het bos verdwaald geraakt.Weer en natuur · A2
stromend water door het land zelfstandig naamwoord
river
Ik stak de rivier over per boot.Ik stak de rivier over per boot.Weer en natuur · A2
ver naar beneden bijvoeglijk naamwoord
deep
Hoe diep is het water volgens jou?Hoe diep is het water volgens jou?Weer en natuur · A2
wat je inademt; hemel zelfstandig naamwoord
air; sky
Laat alsjeblieft wat frisse lucht naar binnen.Laat alsjeblieft wat frisse lucht naar binnen.Weer en natuur · A2
niet fijn, vervelend bijvoeglijk naamwoord
unpleasant; nasty; unwell
Wat een naar weer vandaag!Wat een naar weer vandaag!Weer en natuur · A2
bomen, dieren, planten buiten de stad zelfstandig naamwoord
nature
Ik hou van de natuur.Ik hou van de natuur.Weer en natuur · A2
dier zelfstandig naamwoord
animal; beast
Op de boerderij zijn veel beesten.Op de boerderij zijn veel beesten.Weer en natuur · A2
mooi gekleurd deel van een plant zelfstandig naamwoord
flower
Ze had een bloem in haar hand.Ze had een bloem in haar hand.Weer en natuur · A2
onze planeet; grond zelfstandig naamwoord
earth; soil
De aarde is kleiner dan de zon.De aarde is kleiner dan de zon.Weer en natuur · A2
boerderijdier dat melk geeft zelfstandig naamwoord
cow
Tom is de koe aan het melken.Tom is de koe aan het melken.Weer en natuur · A2
weer, opnieuw bijwoord
again; (what was it) again
Het regent vandaag alweer!Het regent vandaag alweer!Weer en natuur · A2
wat je 's nachts in de lucht ziet zelfstandig naamwoord
moon
Er is geen leven op de maan.Er is geen leven op de maan.Weer en natuur · A2
heel groot dier in de zee zelfstandig naamwoord
whale
Ik heb nog nooit een levende walvis gezien.Ik heb nog nooit een levende walvis gezien.Weer en natuur · A2
de lucht boven ons zelfstandig naamwoord
sky; heaven
Waarom zijn er sterren aan de hemel?Waarom zijn er sterren aan de hemel?Weer en natuur · A1
er valt water uit de lucht werkwoord
to rain
Elk moment kan het beginnen te regenen.Elk moment kan het beginnen te regenen.Weer en natuur · A1
licht geven; lijken werkwoord
to shine; to seem
De zon schijnt vandaag.De zon schijnt vandaag.Weer en natuur · A1
de richting boven op de kaart zelfstandig naamwoord
north
De wind komt uit het noorden.De wind komt uit het noorden.Weer en natuur · A1
de kleur van een banaan bijvoeglijk naamwoord
yellow
In de herfst worden de bladeren geel.In de herfst worden de bladeren geel.Weer en natuur · A2
niet tam, in de natuur bijvoeglijk naamwoord
wild
Een vos is een wild dier.Een vos is een wild dier.Weer en natuur · A2
hoogste punt zelfstandig naamwoord
top; summit
Het uitzicht vanaf de top is erg mooi.Het uitzicht vanaf de top is erg mooi.Weer en natuur · A2
groene sprieten in een tuin of wei zelfstandig naamwoord
grass
De koeien zijn gras aan het eten.De koeien zijn gras aan het eten.Weer en natuur · A2
bewegende lucht zelfstandig naamwoord
wind
Maandag was een dag met veel wind.Maandag was een dag met veel wind.Weer en natuur · A2
dier met veren dat kan vliegen zelfstandig naamwoord
bird
Tom raakte de vogel uit het oog.Tom raakte de vogel uit het oog.Weer en natuur · A2
een gebied zelfstandig naamwoord
region; area; trick
In deze streek wonen veel boeren.In deze streek wonen veel boeren.Weer en natuur · A2
vol water, niet droog bijvoeglijk naamwoord
wet
Ze werden erg nat in de regen.Ze werden erg nat in de regen.Weer en natuur · A2
witte bevroren regen zelfstandig naamwoord
snow
Op deze plaats valt bijna geen sneeuw.Op deze plaats valt bijna geen sneeuw.Weer en natuur · A2
het achterste deel van een dier zelfstandig naamwoord
tail; ponytail
Een koe heeft een lange staart.Een koe heeft een lange staart.Weer en natuur · A2
een hard stuk van de aarde zelfstandig naamwoord
stone; brick
De voorruit is door een steen gebroken.De voorruit is door een steen gebroken.Weer en natuur · A2
water dat uit de lucht valt zelfstandig naamwoord
rain
De regen valt met bakken naar beneden.De regen valt met bakken naar beneden.Weer en natuur · A2
een heel hoog stuk land zelfstandig naamwoord
mountain; heap
We hebben een berg werk te verzetten.We hebben een berg werk te verzetten.Weer en natuur · A2
bewegen zoals water werkwoord
to flow; to stream
De rivier stroomt dwars door de stad.De rivier stroomt dwars door de stad.Weer en natuur · A2
niet nat bijvoeglijk naamwoord
dry
Mijn overhemd is nog niet droog.Mijn overhemd is nog niet droog.Weer en natuur · A2
een groot stuk land met gras zelfstandig naamwoord
field
Het veld staat vol met wilde bloemen.Het veld staat vol met wilde bloemen.Weer en natuur · A2
op het water blijven werkwoord
to float; to drive; to run
Olie zal op water drijven.Olie zal op water drijven.Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.