Naar inhoud

VoorbereidenWoordenschat

Woordenschat

Examenwoorden

Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.

151 woorden
NederlandInburgering B1 · route 2021Dagelijkse routine + officiële bronnen · voorbeeldvragen

Kies een dagelijkse situatie

Woorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.

Thema:

Vervoer en reizen

151 woorden

Niveau

Vervoer en reizen · A1

samen; door middel van voorzetsel

with; by

Ik ga met de trein naar Amsterdam.Ik ga met de trein naar Amsterdam.

Vervoer en reizen · A1

in de richting van voorzetsel

to; towards

Ik heb een lift naar huis nodig.Ik heb een lift naar huis nodig.

Vervoer en reizen · A1

te voet gaan werkwoord

to walk; to run

Ik ben te moe om te lopen.Ik ben te moe om te lopen.

Vervoer en reizen · A1

met hoge snelheid bijvoeglijk naamwoord

fast; quick

De trein is sneller dan de bus.De trein is sneller dan de bus.

Vervoer en reizen · A1

pakken; gebruiken werkwoord

to take

Ik neem de trein naar mijn werk.Ik neem de trein naar mijn werk.

Vervoer en reizen · A1

op grote afstand bijvoeglijk naamwoord

far

Hoe ver is het naar het vliegveld?Hoe ver is het naar het vliegveld?

Vervoer en reizen · A1

niet helemaal bijwoord

almost; nearly

Ik werd bijna aangereden door een auto.Ik werd bijna aangereden door een auto.

Vervoer en reizen · A1

blijven tot iets gebeurt werkwoord

to wait

Ik wacht op de bus.Ik wacht op de bus.

Vervoer en reizen · A1

straat buiten de stad zelfstandig naamwoord

road; way

Weet u de weg naar het station?Weet u de weg naar het station?

Vervoer en reizen · A1

voertuig met vier wielen zelfstandig naamwoord

car

Mijn auto staat voor het huis.Mijn auto staat voor het huis.

Vervoer en reizen · A1

met een auto of fiets gaan werkwoord

to drive; to ride

Ik rijd elke dag naar mijn werk.Ik rijd elke dag naar mijn werk.

Vervoer en reizen · A1

niet verder gaan werkwoord

to stop; to put

Deze bus stopt bij het station.Deze bus stopt bij het station.

Vervoer en reizen · A1

klein schip zelfstandig naamwoord

boat

Ik stak de rivier over per boot.Ik stak de rivier over per boot.

Vervoer en reizen · A1

naast iets verder gaan voorzetsel

along; past

We fietsen langs het water.We fietsen langs het water.

Vervoer en reizen · A1

met de kleur van bloed bijvoeglijk naamwoord

red

Het stoplicht staat op rood.Het stoplicht staat op rood.

Vervoer en reizen · A1

weg in een stad of dorp zelfstandig naamwoord

street

Ik heb hem de straat zien oversteken.Ik heb hem de straat zien oversteken.

Vervoer en reizen · A1

een tocht naar een andere plek zelfstandig naamwoord

journey; trip

Hopelijk heeft u genoten van uw reis.Hopelijk heeft u genoten van uw reis.

Vervoer en reizen · A1

heel snel lopen werkwoord

to run

Ik moest rennen om de bus te halen.Ik moest rennen om de bus te halen.

Vervoer en reizen · A1

weggaan werkwoord

to leave; to depart

De trein vertrekt om acht uur.De trein vertrekt om acht uur.

Vervoer en reizen · A1

vervoer over rails zelfstandig naamwoord

train

We kunnen beter met de trein gaan.We kunnen beter met de trein gaan.

Vervoer en reizen · A1

een stap zetten werkwoord

to step; to walk; to get (on/off)

We stappen in de bus naar het centrum.We stappen in de bus naar het centrum.

Vervoer en reizen · A1

vervoer met twee wielen en trappers zelfstandig naamwoord

bicycle; bike

Tom is hier met de fiets gekomen.Tom is hier met de fiets gekomen.

Vervoer en reizen · A1

groot voertuig voor veel passagiers zelfstandig naamwoord

bus

Ik stond op de bus te wachten.Ik stond op de bus te wachten.

Vervoer en reizen · A1

duizend meter zelfstandig naamwoord

kilometer

We hebben zo'n drie kilometer gelopen.We hebben zo'n drie kilometer gelopen.

Vervoer en reizen · A1

plek waar de trein stopt zelfstandig naamwoord

station

Hij nam me mee naar het station.Hij nam me mee naar het station.

Vervoer en reizen · A1

plek waar schepen aanleggen zelfstandig naamwoord

harbor; port

Het schip is nu in de haven.Het schip is nu in de haven.

Vervoer en reizen · A1

aan de rechterkant bijwoord

right; on the right

Draai naar rechts aan de volgende hoek.Draai naar rechts aan de volgende hoek.

Vervoer en reizen · A1

machine die door de lucht vliegt zelfstandig naamwoord

airplane

Ik kan niet slapen in een vliegtuig.Ik kan niet slapen in een vliegtuig.

Vervoer en reizen · A1

op de fiets rijden werkwoord

to cycle

Ik fiets elke dag naar mijn werk.Ik fiets elke dag naar mijn werk.

Vervoer en reizen · A1

midden van de stad zelfstandig naamwoord

centre; city centre

Welke trein gaat naar het centrum?Welke trein gaat naar het centrum?

Vervoer en reizen · A1

aan de linkerkant bijwoord

left; on the left

Hij keek naar links en naar rechts.Hij keek naar links en naar rechts.

Vervoer en reizen · A2

niet zoveel als voornaamwoord

less; fewer

De treinen rijden 's nachts minder vaak.De treinen rijden 's nachts minder vaak.

Vervoer en reizen · A2

de baas van een schip zelfstandig naamwoord

captain

Wie is de kapitein van dit schip?Wie is de kapitein van dit schip?

Vervoer en reizen · A2

een grote boot zelfstandig naamwoord

ship

Het schip is nu in de haven.Het schip is nu in de haven.

Vervoer en reizen · A2

met je vinger laten zien werkwoord

to point; to show

Kan je me de weg wijzen?Kan je me de weg wijzen?

Vervoer en reizen · A2

rond gaan; een bocht maken werkwoord

to turn; to rotate

Draai naar rechts aan de volgende hoek.Draai naar rechts aan de volgende hoek.

Vervoer en reizen · A2

door de lucht gaan werkwoord

to fly

We vliegen in de zomer naar China.We vliegen in de zomer naar China.

Vervoer en reizen · A2

niet halen; verlangen naar werkwoord

to miss

Schiet op, anders missen we de trein!Schiet op, anders missen we de trein!

Vervoer en reizen · A2

naar andere plaatsen gaan werkwoord

to travel

Mijn vader is gewend om te reizen.Mijn vader is gewend om te reizen.

Vervoer en reizen · A2

goed opletten werkwoord

to pay attention; to watch

We moeten op het stoplicht letten.We moeten op het stoplicht letten.

Vervoer en reizen · A2

met kracht van je af bewegen werkwoord

to push

Ik moest mijn fiets duwen omdat ik een platte band had.Ik moest mijn fiets duwen omdat ik een platte band had.

Vervoer en reizen · A2

met een boot over het water gaan werkwoord

to sail; to go by boat

We varen naar het zuiden.We varen naar het zuiden.

Vervoer en reizen · A2

ergens komen na een reis werkwoord

to arrive; to gain weight

Ik zal een beetje laat aankomen.Ik zal een beetje laat aankomen.

Vervoer en reizen · A2

plek waar twee straten of muren samenkomen zelfstandig naamwoord

corner; angle

Draai naar rechts aan de volgende hoek.Draai naar rechts aan de volgende hoek.

Vervoer en reizen · A2

rubber rond een wiel; muziekgroep zelfstandig naamwoord

tyre; band; bond

Kan er iemand een lekke band herstellen?Kan er iemand een lekke band herstellen?

Vervoer en reizen · A2

gebouw waar je betaalt om te slapen zelfstandig naamwoord

hotel

Er zijn veel hotels in de binnenstad.Er zijn veel hotels in de binnenstad.

Vervoer en reizen · A2

wat je wilt bereiken zelfstandig naamwoord

goal; aim; purpose

Wat is het doel van uw reis?Wat is het doel van uw reis?

Vervoer en reizen · A2

de kant waar je naartoe gaat zelfstandig naamwoord

direction

Tom en Mary vertrokken in dezelfde richting.Tom en Mary vertrokken in dezelfde richting.

Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.