Naar inhoud

Startroute A1

Toets 1: lessen 1–3

Kies de betekenis van elk woord. Je ziet meteen het antwoord.

De toets

Je beste score blijft in deze browser.

  1. 1de zus

  2. 2een

  3. 3de dag

  4. 4de broer

  5. 5de moeder

  6. 6de ouder

  7. 7lachen

  8. 8het meisje

  9. 9kennen

  10. 10de dochter

Antwoorden

1. de zus = dochter van je ouders

2. een = het getal 1

3. de dag = 24 uur

4. de broer = zoon van je ouders

5. de moeder = je vrouwelijke ouder

6. de ouder = vader of moeder

7. lachen = geluid maken als iets grappig is

8. het meisje = een jong kind dat geen jongen is

9. kennen = weten wie of wat iemand is

10. de dochter = kind dat een meisje is