Naar inhoud

Startroute A1

4. Je huis

Vertellen waar je woont en je adres geven.

Handige zinnen

Luister en zeg elke zin hardop.

  • Ik woon in een appartement.I live in a flat.
  • Het huis heeft drie kamers.The house has three rooms.
  • De keuken is klein.The kitchen is small.
  • Wat is uw adres?What is your address?

12 woorden

Tik op een woord voor de woordkaart met meer voorbeelden.

Snelle quiz

Je beste score blijft in deze browser.

  1. 1wonen

  2. 2het bed

  3. 3het kleed

  4. 4zacht

  5. 5de tafel

  6. 6de deur

Antwoorden

1. wonen = een huis hebben op een plek

2. het bed = meubel om op te slapen

3. het kleed = tapijt

4. zacht = niet hard

5. de tafel = meubel om aan te eten

6. de deur = je gaat erdoor een kamer in

Kijk hierna

Een gratis YouTube-cursus over hetzelfde thema (opent de afspeellijst).

Open de video →