Startroute A1
4. Je huis
Vertellen waar je woont en je adres geven.
Handige zinnen
Luister en zeg elke zin hardop.
- Ik woon in een appartement.I live in a flat.
- Het huis heeft drie kamers.The house has three rooms.
- De keuken is klein.The kitchen is small.
- Wat is uw adres?What is your address?
12 woorden
Tik op een woord voor de woordkaart met meer voorbeelden.
- het huiseen gebouw om in te wonen
- de kamereen ruimte in een huis
- woneneen huis hebben op een plek
- het bedmeubel om op te slapen
- de deurje gaat erdoor een kamer in
- leggeniets plat neerzetten
- de tafelmeubel om aan te eten
- het raamglas in de muur
- het kleedtapijt; tafelkleed
- zachtniet hard
- de keukenkamer waar je kookt
- de tuinstuk grond bij je huis met planten
Snelle quiz
Je beste score blijft in deze browser.
1wonen
2het bed
3het kleed
4zacht
5de tafel
6de deur
1. wonen = een huis hebben op een plek
2. het bed = meubel om op te slapen
3. het kleed = tapijt
4. zacht = niet hard
5. de tafel = meubel om aan te eten
6. de deur = je gaat erdoor een kamer in