Wonen · A1
een gebouw om in te wonen zelfstandig naamwoord
house; home
Wij hebben een huis met een tuin.Wij hebben een huis met een tuin.VoorbereidenWoordenschat
Woordenschat
Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.
40 woordenWoorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.
Thema:
40 woorden
Wonen · A1
een gebouw om in te wonen zelfstandig naamwoord
house; home
Wij hebben een huis met een tuin.Wij hebben een huis met een tuin.Wonen · A1
een ruimte in een huis zelfstandig naamwoord
room
Het nummer van mijn kamer is 5.Het nummer van mijn kamer is 5.Wonen · A1
een huis hebben op een plek werkwoord
to live (reside)
Waar woont u?Waar woont u?Wonen · A1
meubel om op te slapen zelfstandig naamwoord
bed
Je kan maar beter naar bed gaan.Je kan maar beter naar bed gaan.Wonen · A1
in je eigen huis bijwoord
at home
Ik hoop dat je je thuis voelt.Ik hoop dat je je thuis voelt.Wonen · A1
je gaat erdoor een kamer in zelfstandig naamwoord
door
Doe de deur dicht, alsjeblieft.Doe de deur dicht, alsjeblieft.Wonen · A1
iets plat neerzetten werkwoord
to lay; to put
Leg de sleutels maar op de tafel.Leg de sleutels maar op de tafel.Wonen · A1
hoger dan voorzetsel
above; over
Wij wonen boven een winkel.Wij wonen boven een winkel.Wonen · A1
meubel om aan te eten zelfstandig naamwoord
table
Ik ben de tafel aan het afvegen.Ik ben de tafel aan het afvegen.Wonen · A1
glas in de muur zelfstandig naamwoord
window
Je hebt een raam open laten staan.Je hebt een raam open laten staan.Wonen · A1
tapijt; tafelkleed zelfstandig naamwoord
rug; cloth; (Belgian) dress
Er ligt een groot kleed op de vloer.Er ligt een groot kleed op de vloer.Wonen · A1
niet hard bijvoeglijk naamwoord
soft; gentle; quiet
Ik slaap graag in een zacht bed.Ik slaap graag in een zacht bed.Wonen · A1
kamer waar je kookt zelfstandig naamwoord
kitchen; cuisine
We eten meestal in de keuken.We eten meestal in de keuken.Wonen · A1
stuk grond bij je huis met planten zelfstandig naamwoord
garden
De kinderen spelen in de tuin.De kinderen spelen in de tuin.Wonen · A1
kleine plaats op het platteland zelfstandig naamwoord
village
Tom groeide op in een klein dorp.Tom groeide op in een klein dorp.Wonen · A1
kamer waar je slaapt zelfstandig naamwoord
bedroom
Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.Wonen · A1
plaats zelfstandig naamwoord
space; room
Deze bank neemt te veel ruimte in.Deze bank neemt te veel ruimte in.Wonen · A1
met veel plaats; meer dan genoeg bijvoeglijk naamwoord
spacious; ample; well over
Ons nieuwe huis is licht en ruim.Ons nieuwe huis is licht en ruim.Wonen · A1
huisdier dat miauwt zelfstandig naamwoord
cat
Ik heb een kat en een hond.Ik heb een kat en een hond.Wonen · A1
meubel om spullen in te bewaren zelfstandig naamwoord
cupboard; closet
Wat zit er in de kast?Wat zit er in de kast?Wonen · A1
niet vies bijvoeglijk naamwoord
clean
Ik maak elke maandag mijn kamer schoon.Ik maak elke maandag mijn kamer schoon.Wonen · A1
kamer met een douche of bad zelfstandig naamwoord
bathroom
Er is een spin in de badkamer.Er is een spin in de badkamer.Wonen · A1
schoonmaken met water en zeep werkwoord
to wash
Ik ben mijn handen vergeten te wassen.Ik ben mijn handen vergeten te wassen.Wonen · A1
naar een ander huis gaan wonen werkwoord
to move (house)
Tom en Mary willen naar Australië verhuizen.Tom en Mary willen naar Australië verhuizen.Wonen · A1
niet schoon; niet lekker bijvoeglijk naamwoord
dirty; disgusting
Waarom is mijn bril altijd zo vies?Waarom is mijn bril altijd zo vies?Wonen · A1
een huis of flat waar je woont zelfstandig naamwoord
home; dwelling
Mijn woning is op de vierde verdieping.Mijn woning is op de vierde verdieping.Wonen · A1
de wc zelfstandig naamwoord
toilet
Ik moet even naar het toilet.Ik moet even naar het toilet.Wonen · A1
een woning in een groot gebouw zelfstandig naamwoord
apartment; flat
Ik woon in een heel klein appartement.Ik woon in een heel klein appartement.Wonen · A1
de kamer waar je samen zit zelfstandig naamwoord
living room
Tom ligt in de woonkamer op de bank te slapen.Tom ligt in de woonkamer op de bank te slapen.Wonen · A1
waar je in huis op loopt zelfstandig naamwoord
floor
Tom zat naast Mary op de vloer.Tom zat naast Mary op de vloer.Wonen · A1
vuil weghalen werkwoord
to clean
Ik moet de keuken nog steeds schoonmaken.Ik moet de keuken nog steeds schoonmaken.Wonen · A1
een plekje buiten aan een flat zelfstandig naamwoord
balcony
Deze deur leidt naar het balkon.Deze deur leidt naar het balkon.Wonen · A1
een laag van een gebouw zelfstandig naamwoord
floor; storey
Mijn kantoor is op de vijfde verdieping.Mijn kantoor is op de vijfde verdieping.Wonen · A1
bij iemand in huis wonen werkwoord
to live in (with someone)
Ze woont nog bij haar ouders in.Ze woont nog bij haar ouders in.Wonen · A1
kast die eten koud houdt zelfstandig naamwoord
fridge; refrigerator
Er is geen bier in de koelkast.Er is geen bier in de koelkast.Wonen · A1
het werk in huis; gezin zelfstandig naamwoord
household; housework
Tom en Mary waren de hele ochtend bezig met het huishouden.Tom en Mary waren de hele ochtend bezig met het huishouden.Wonen · A1
hard, vervelend geluid zelfstandig naamwoord
noise
Ik kan dit lawaai niet meer verdragen.Ik kan dit lawaai niet meer verdragen.Wonen · A1
water van boven om je te wassen zelfstandig naamwoord
shower
Zij gaat elke ochtend onder de douche.Zij gaat elke ochtend onder de douche.Wonen · A1
kleren glad maken met een strijkijzer werkwoord
to iron; to stroke
Ze was haar jurk aan het strijken.Ze was haar jurk aan het strijken.Wonen · A1
woning in een groot gebouw zelfstandig naamwoord
flat; apartment
Ik heb een flat gevonden.Ik heb een flat gevonden.Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.