Naar inhoud

VoorbereidenWoordenschat

Woordenschat

Examenwoorden

Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.

40 woorden
NederlandInburgering B1 · route 2021Dagelijkse routine + officiële bronnen · voorbeeldvragen

Kies een dagelijkse situatie

Woorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.

Thema:

Wonen

40 woorden

Niveau

Wonen · A1

een gebouw om in te wonen zelfstandig naamwoord

house; home

Wij hebben een huis met een tuin.Wij hebben een huis met een tuin.

Wonen · A1

een ruimte in een huis zelfstandig naamwoord

room

Het nummer van mijn kamer is 5.Het nummer van mijn kamer is 5.

Wonen · A1

een huis hebben op een plek werkwoord

to live (reside)

Waar woont u?Waar woont u?

Wonen · A1

meubel om op te slapen zelfstandig naamwoord

bed

Je kan maar beter naar bed gaan.Je kan maar beter naar bed gaan.

Wonen · A1

in je eigen huis bijwoord

at home

Ik hoop dat je je thuis voelt.Ik hoop dat je je thuis voelt.

Wonen · A1

je gaat erdoor een kamer in zelfstandig naamwoord

door

Doe de deur dicht, alsjeblieft.Doe de deur dicht, alsjeblieft.

Wonen · A1

iets plat neerzetten werkwoord

to lay; to put

Leg de sleutels maar op de tafel.Leg de sleutels maar op de tafel.

Wonen · A1

hoger dan voorzetsel

above; over

Wij wonen boven een winkel.Wij wonen boven een winkel.

Wonen · A1

meubel om aan te eten zelfstandig naamwoord

table

Ik ben de tafel aan het afvegen.Ik ben de tafel aan het afvegen.

Wonen · A1

glas in de muur zelfstandig naamwoord

window

Je hebt een raam open laten staan.Je hebt een raam open laten staan.

Wonen · A1

tapijt; tafelkleed zelfstandig naamwoord

rug; cloth; (Belgian) dress

Er ligt een groot kleed op de vloer.Er ligt een groot kleed op de vloer.

Wonen · A1

niet hard bijvoeglijk naamwoord

soft; gentle; quiet

Ik slaap graag in een zacht bed.Ik slaap graag in een zacht bed.

Wonen · A1

kamer waar je kookt zelfstandig naamwoord

kitchen; cuisine

We eten meestal in de keuken.We eten meestal in de keuken.

Wonen · A1

stuk grond bij je huis met planten zelfstandig naamwoord

garden

De kinderen spelen in de tuin.De kinderen spelen in de tuin.

Wonen · A1

kleine plaats op het platteland zelfstandig naamwoord

village

Tom groeide op in een klein dorp.Tom groeide op in een klein dorp.

Wonen · A1

kamer waar je slaapt zelfstandig naamwoord

bedroom

Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.

Wonen · A1

plaats zelfstandig naamwoord

space; room

Deze bank neemt te veel ruimte in.Deze bank neemt te veel ruimte in.

Wonen · A1

met veel plaats; meer dan genoeg bijvoeglijk naamwoord

spacious; ample; well over

Ons nieuwe huis is licht en ruim.Ons nieuwe huis is licht en ruim.

Wonen · A1

huisdier dat miauwt zelfstandig naamwoord

cat

Ik heb een kat en een hond.Ik heb een kat en een hond.

Wonen · A1

meubel om spullen in te bewaren zelfstandig naamwoord

cupboard; closet

Wat zit er in de kast?Wat zit er in de kast?

Wonen · A1

niet vies bijvoeglijk naamwoord

clean

Ik maak elke maandag mijn kamer schoon.Ik maak elke maandag mijn kamer schoon.

Wonen · A1

kamer met een douche of bad zelfstandig naamwoord

bathroom

Er is een spin in de badkamer.Er is een spin in de badkamer.

Wonen · A1

schoonmaken met water en zeep werkwoord

to wash

Ik ben mijn handen vergeten te wassen.Ik ben mijn handen vergeten te wassen.

Wonen · A1

naar een ander huis gaan wonen werkwoord

to move (house)

Tom en Mary willen naar Australië verhuizen.Tom en Mary willen naar Australië verhuizen.

Wonen · A1

niet schoon; niet lekker bijvoeglijk naamwoord

dirty; disgusting

Waarom is mijn bril altijd zo vies?Waarom is mijn bril altijd zo vies?

Wonen · A1

een huis of flat waar je woont zelfstandig naamwoord

home; dwelling

Mijn woning is op de vierde verdieping.Mijn woning is op de vierde verdieping.

Wonen · A1

de wc zelfstandig naamwoord

toilet

Ik moet even naar het toilet.Ik moet even naar het toilet.

Wonen · A1

een woning in een groot gebouw zelfstandig naamwoord

apartment; flat

Ik woon in een heel klein appartement.Ik woon in een heel klein appartement.

Wonen · A1

de kamer waar je samen zit zelfstandig naamwoord

living room

Tom ligt in de woonkamer op de bank te slapen.Tom ligt in de woonkamer op de bank te slapen.

Wonen · A1

waar je in huis op loopt zelfstandig naamwoord

floor

Tom zat naast Mary op de vloer.Tom zat naast Mary op de vloer.

Wonen · A1

vuil weghalen werkwoord

to clean

Ik moet de keuken nog steeds schoonmaken.Ik moet de keuken nog steeds schoonmaken.

Wonen · A1

een plekje buiten aan een flat zelfstandig naamwoord

balcony

Deze deur leidt naar het balkon.Deze deur leidt naar het balkon.

Wonen · A1

een laag van een gebouw zelfstandig naamwoord

floor; storey

Mijn kantoor is op de vijfde verdieping.Mijn kantoor is op de vijfde verdieping.

Wonen · A1

bij iemand in huis wonen werkwoord

to live in (with someone)

Ze woont nog bij haar ouders in.Ze woont nog bij haar ouders in.

Wonen · A1

kast die eten koud houdt zelfstandig naamwoord

fridge; refrigerator

Er is geen bier in de koelkast.Er is geen bier in de koelkast.

Wonen · A1

het werk in huis; gezin zelfstandig naamwoord

household; housework

Tom en Mary waren de hele ochtend bezig met het huishouden.Tom en Mary waren de hele ochtend bezig met het huishouden.

Wonen · A1

hard, vervelend geluid zelfstandig naamwoord

noise

Ik kan dit lawaai niet meer verdragen.Ik kan dit lawaai niet meer verdragen.

Wonen · A1

water van boven om je te wassen zelfstandig naamwoord

shower

Zij gaat elke ochtend onder de douche.Zij gaat elke ochtend onder de douche.

Wonen · A1

kleren glad maken met een strijkijzer werkwoord

to iron; to stroke

Ze was haar jurk aan het strijken.Ze was haar jurk aan het strijken.

Wonen · A1

woning in een groot gebouw zelfstandig naamwoord

flat; apartment

Ik heb een flat gevonden.Ik heb een flat gevonden.

Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.