Naar inhoud

VoorbereidenWoordenschat

Woordenschat

Examenwoorden

Leer het in context. Hoor het. Maak het van jou.

94 woorden
NederlandInburgering B1 · route 2021Dagelijkse routine + officiële bronnen · voorbeeldvragen

Kies een dagelijkse situatie

Woorden gegroepeerd per situatie die je in het examen tegenkomt.

Thema:

Winkelen

94 woorden

Niveau

Winkelen · A2

kostuum; doos of zak zelfstandig naamwoord

suit; package, pack

Je pak ziet er erg duur uit.Je pak ziet er erg duur uit.

Winkelen · A2

een mens zelfstandig naamwoord

person

De kaartjes kosten tien euro per persoon.De kaartjes kosten tien euro per persoon.

Winkelen · A2

tas van papier of plastic; broekzak zelfstandig naamwoord

bag; pocket

Zou ik een papieren zak mogen hebben?Zou ik een papieren zak mogen hebben?

Winkelen · A2

zonder te betalen bijvoeglijk naamwoord

free (of charge)

Gratis raad is niet altijd goede raad.Gratis raad is niet altijd goede raad.

Winkelen · A2

naar voren; van tevoren bijwoord

forward; ahead; in advance

Wil je dat ik vooruit betaal?Wil je dat ik vooruit betaal?

Winkelen · A2

kledingstuk voor vrouwen, uit één stuk zelfstandig naamwoord

dress

Ze was haar jurk aan het strijken.Ze was haar jurk aan het strijken.

Winkelen · A2

open maken werkwoord

to open

De winkel opent om negen uur.De winkel opent om negen uur.

Winkelen · A2

geld dat je moet betalen zelfstandig naamwoord

cost; costs; living

Er komen echter nog andere kosten bij.Er komen echter nog andere kosten bij.

Winkelen · A2

iets om spullen in te dragen zelfstandig naamwoord

bag

Ze stopte de sleutel in haar tas.Ze stopte de sleutel in haar tas.

Winkelen · A2

papier met wat je moet betalen; bankrekening zelfstandig naamwoord

bill; account

Ik heb rekeningen die ik moet betalen.Ik heb rekeningen die ik moet betalen.

Winkelen · A2

jammer genoeg bijwoord

unfortunately

Dat hebben we helaas niet op voorraad.Dat hebben we helaas niet op voorraad.

Winkelen · A2

een honderdste van een euro zelfstandig naamwoord

cent

Een brood kost twee euro en vijftig cent.Een brood kost twee euro en vijftig cent.

Winkelen · A2

vijfhonderd gram; Engels geld zelfstandig naamwoord

pound (500 g); pound sterling

Ik wil graag een pond kaas.Ik wil graag een pond kaas.

Winkelen · A2

kledingstuk voor je benen zelfstandig naamwoord

trousers; pants

Deze broek is te lang.Deze broek is te lang.

Winkelen · A2

niet duur bijvoeglijk naamwoord

cheap

We hebben in een goedkoop hotel overnacht.We hebben in een goedkoop hotel overnacht.

Winkelen · A2

plek met kramen waar je koopt zelfstandig naamwoord

market

Het was druk op de markt.Het was druk op de markt.

Winkelen · A2

brengen wat besteld is werkwoord

to deliver; to supply

Het pakket wordt morgen geleverd.Het pakket wordt morgen geleverd.

Winkelen · A2

iets wat je op je hoofd draagt zelfstandig naamwoord

hat

Haar hoed zag er heel grappig uit.Haar hoed zag er heel grappig uit.

Winkelen · A2

mensen of dingen achter elkaar zelfstandig naamwoord

row; line; queue

Tom wachtte in de rij met Maria.Tom wachtte in de rij met Maria.

Winkelen · A2

goed houden voor later werkwoord

to keep; to store

Bewaar het bonnetje voor als je iets wilt ruilen.Bewaar het bonnetje voor als je iets wilt ruilen.

Winkelen · A2

een duur geel metaal zelfstandig naamwoord

gold

Het is niet al goud dat blinkt.Het is niet al goud dat blinkt.

Winkelen · A2

los van de rest bijvoeglijk naamwoord

separate; separately; unusual

Batterijen worden apart verkocht.Batterijen worden apart verkocht.

Winkelen · A2

kleren zelfstandig naamwoord

clothing; clothes

Onze kinderen hebben nieuwe kleding nodig.Onze kinderen hebben nieuwe kleding nodig.

Winkelen · A2

geld of tijd gebruiken voor iets werkwoord

to spend

Je moet het geld verstandig besteden.Je moet het geld verstandig besteden.

Winkelen · A2

omhoog gaan werkwoord

to rise; to increase

De prijzen zullen zeker stijgen.De prijzen zullen zeker stijgen.

Winkelen · A2

heel raar of dom bijvoeglijk naamwoord

ridiculous

Die prijs is echt belachelijk hoog.Die prijs is echt belachelijk hoog.

Winkelen · A2

hoe groot kleren of schoenen zijn zelfstandig naamwoord

size; measure

Heb je deze schoenen in mijn maat?Heb je deze schoenen in mijn maat?

Winkelen · A2

ergens neerzetten; publiceren werkwoord

to place; to put; to post

Ik heb een advertentie op internet geplaatst.Ik heb een advertentie op internet geplaatst.

Winkelen · A2

geld van metaal zelfstandig naamwoord

coin; mint

Tom haalde wat munten uit zijn zak.Tom haalde wat munten uit zijn zak.

Winkelen · A2

een bak van riet of plastic zelfstandig naamwoord

basket

Er zitten wat appels in de mand.Er zitten wat appels in de mand.

Winkelen · A2

niet hetzelfde zijn werkwoord

to differ

De prijzen verschillen per winkel.De prijzen verschillen per winkel.

Winkelen · A2

kleren aandoen werkwoord

to dress

Hoe hoor ik mezelf te kleden?Hoe hoor ik mezelf te kleden?

Winkelen · A2

niet los bijvoeglijk naamwoord

tight

Deze rok is een beetje te strak.Deze rok is een beetje te strak.

Winkelen · A2

geld op een rekening zetten werkwoord

to deposit; to pour; to collapse

Stort het geld in een bank a.u.b.Stort het geld in een bank a.u.b.

Winkelen · A2

niet voor altijd bijvoeglijk naamwoord

temporary

Dit is een tijdelijk aanbod enkel voor nieuwe klanten.Dit is een tijdelijk aanbod enkel voor nieuwe klanten.

Winkelen · A2

niet zeker zijn werkwoord

to doubt; to hesitate

Ik twijfel nog of ik die jas koop.Ik twijfel nog of ik die jas koop.

Winkelen · A2

hoeveel iets waard is zelfstandig naamwoord

value

De waarde van de yen is flink gestegen.De waarde van de yen is flink gestegen.

Winkelen · A2

wagen met wielen die je trekt zelfstandig naamwoord

cart

De boer trok een kar vol groente naar de markt.De boer trok een kar vol groente naar de markt.

Winkelen · A2

lange stof om je nek zelfstandig naamwoord

tie; scarf; badger

Ik draag niet iedere dag een das.Ik draag niet iedere dag een das.

Winkelen · A2

geld opzij leggen werkwoord

to save

Ik ben aan het sparen.Ik ben aan het sparen.

Winkelen · A2

gewicht: duizend ervan is een kilo zelfstandig naamwoord

gram

Hoeveel calorieën zitten er in 100 gram boter?Hoeveel calorieën zitten er in 100 gram boter?

Winkelen · A2

via internet bijvoeglijk naamwoord

online

Normaal koop ik geen dingen online.Normaal koop ik geen dingen online.

Winkelen · A2

brengen naar iemands huis werkwoord

to deliver; to cause

We kunnen het vanavond bezorgen.We kunnen het vanavond bezorgen.

Winkelen · A2

oud Nederlands geld zelfstandig naamwoord

guilder

Vroeger betaalde je in Nederland met guldens.Vroeger betaalde je in Nederland met guldens.

Winkelen · A2

minder gebruiken of uitgeven werkwoord

to save

Wat is de beste manier om geld te besparen?Wat is de beste manier om geld te besparen?

Winkelen · A2

in winkels kijken en kopen werkwoord

to shop; to go shopping

Op zaterdag gaan we vaak winkelen in de stad.Op zaterdag gaan we vaak winkelen in de stad.

Winkelen · A2

geld betalen; een boek maken werkwoord

to spend; to publish

Stop met geld uitgeven aan domme dingen.Stop met geld uitgeven aan domme dingen.

Winkelen · A2

de kleur van een sinaasappel bijvoeglijk naamwoord

orange

Waar heb je die oranje sjaal vandaan?Waar heb je die oranje sjaal vandaan?

Tik op de luidspreker om een woord te horen. De meeste woorden hebben een neurale tekst-naar-spraakopname; andere gebruiken je browserstem. Betekenissen en voorbeelden zijn AI-ondersteund en nog niet door een docent gecontroleerd. Dit is een geselecteerde woordenbibliotheek, geen garantie op alle examenwoorden. Bewaar nuttige woorden en herhaal ze regelmatig.