Zum Inhalt springen

Niederländischer Wortschatz: Health — Wortliste A1–B1 mit Beispielen (2026)

150 niederländische Wörter zum Thema gesundheit für die Einbürgerungsprüfung und NT2, nach Niveau sortiert (A1–B1), mit Bedeutung und Beispielsatz. Kostenlos und druckbar.

Niveau A1

15 Wörter

het ooghet · noun

eye

Ze heeft blauwe ogen.
bellenverb

to call; to ring

Ik bel de huisarts voor een afspraak.
de dokterde · noun

doctor

Ik moet naar de dokter.
ziekadjective

ill; sick

Ik denk dat ik echt ziek ben.
moeadjective

tired

Ik ben te moe om te lopen.
de voetde · noun

foot

Wat is er met je voet gebeurd?
het ziekenhuishet · noun

hospital

Tom is nog steeds in het ziekenhuis.
gezondadjective

healthy

Hij ziet er niet zo gezond uit.
de afspraakde · noun

appointment; agreement

Ik wil graag een afspraak maken bij de huisarts.
de kniede · noun

knee

Ik heb pijn aan mijn knie na het voetballen.
verbrandenverb

to burn

Toms gezicht was verbrand door de zon.
de huisartsde · noun

GP; family doctor

Je kunt beter onmiddellijk naar je huisarts gaan.
slankadjective

slim; slender

Als je slank wilt zijn, volg dan dit dieet.
afvallenverb

to lose weight; to drop out

Ik zou graag een beetje willen afvallen.
de luisde · noun

louse

Er zijn luizen gevonden bij de kinderen in groep drie.

Niveau A2

135 Wörter

de handde · noun

hand

Was je handen voor het eten.
het hoofdhet · noun

head

Ik heb pijn in mijn hoofd.
voelenverb

to feel

Ik voel me vandaag niet zo goed.
de doodde · noun

death

Ik heb geen angst voor de dood.
het gezichthet · noun

face; sight

Was je gezicht met koud water.
de armde · noun

arm

Ik heb pijn in mijn arm.
het onderzoekhet · noun

research; investigation; examination

De dokter doet een onderzoek naar mijn bloed.
stervenverb

to die

Een mens kan slechts één keer sterven.
het harthet · noun

heart

Hij heeft een hart van goud.
het lichaamhet · noun

body

Mijn natte kleren plakten tegen mijn lichaam.
de mondde · noun

mouth

Doe je mond maar open.
het bloedhet · noun

blood

De huisarts wil wat bloed laten prikken.
de pijnde · noun

pain; ache

Ik heb pijn in mijn rug.
schuddenverb

to shake

Schud de fles voor gebruik.
het gebruikhet · noun

use; custom

Lees de bijsluiter voor gebruik.
de zorgde · noun

worry; care

Maak u maar geen zorgen over mij.
bewegenverb

to move; to exercise

Ik kan mijn been niet bewegen.
de geestde · noun

mind; spirit; ghost

Sport is goed voor lichaam en geest.
de rustde · noun

rest; quiet; peace

Je hebt veel rust nodig, zegt de dokter.
het beenhet · noun

leg; bone

Ik heb pijn in mijn been.
de slaapde · noun

sleep

Tom viel in slaap op zijn werk.
de schouderde · noun

shoulder

Ik voelde een hand op mijn schouder.
de ziektede · noun

illness; disease

Heb je ooit een ernstige ziekte gehad?
de rugde · noun

back

Hij draagt een tas op zijn rug.
brekenverb

to break

Ik heb mijn arm gebroken.
het oorhet · noun

ear

Tom stak zijn potlood achter zijn oor.
de nekde · noun

neck

Ik werd met een stijve nek wakker.
de wangde · noun

cheek

Ze gaf me een kus op de wang.
de neusde · noun

nose

Mijn neus loopt, ik ben verkouden.
de vingerde · noun

finger

Ik heb een doorn in mijn vinger.
de angstde · noun

fear; anxiety

Zij heeft angst voor honden.
ernstigadjective

serious; severe

Denk je dat de situatie ernstig is?
de borstde · noun

chest; breast

Ik heb pijn op mijn borst.
rokenverb

to smoke

Tom ging naar buiten om te roken.
de lastde · noun

burden; trouble

Ik heb last van mijn rug.
de lipde · noun

lip

Ik beet op mijn lip.
de gezondheidde · noun

health

Ik maak mij zorgen over uw gezondheid.
buigenverb

to bend; to bow

Buig je knieën als je iets zwaars optilt.
onderzoekenverb

to examine; to investigate

De dokter gaat je even onderzoeken.
de artsde · noun

doctor; physician

Ik dacht dat hij een arts was.
de huidde · noun

skin

Mijn huid voelt erg schraal aan vandaag.
verzorgenverb

to take care of; to look after

Tom verzorgt de vogels goed.
de buikde · noun

belly; stomach

Ik heb pijn in mijn buik.
behandelenverb

to treat; to handle

De dokter behandelt veel patiënten per dag.
zwakadjective

weak

Ze was nog zwak na haar ziekte.
de keelde · noun

throat

Ik heb pijn in mijn keel.
de tandde · noun

tooth

Ik poets mijn tanden tweemaal per dag.
de halsde · noun

neck

Ze draagt een warme sjaal om haar hals.
het middelhet · noun

means; remedy; waist

Paracetamol is een goed middel tegen hoofdpijn.
de ademde · noun

breath

Ik hield de adem in en wachtte.
het medicijnhet · noun

medicine

Medicijnen en alcohol gaan vaak niet samen.
de patiëntde · noun

patient

Tom is een patiënt van mij.
de wondde · noun

wound

Je kunt de wond beter meteen verbinden.
onmiddellijkadjective

immediate; immediately

Bel onmiddellijk 112 bij een noodgeval.
de praktijkde · noun

practice

De praktijk van de huisarts gaat om acht uur open.
bleekadjective

pale

Waarom zie je er zo bleek uit?
blindadjective

blind

Men zegt dat liefde blind is.
de drugde · noun

drug (illegal)

Drugs zijn slecht voor je gezondheid.
de brilde · noun

glasses

Waarom is mijn bril altijd zo vies?
het voorhoofdhet · noun

forehead

Ze kuste hem op het voorhoofd.
het lijfhet · noun

body

Sporten is goed voor je lijf.
de valde · noun

fall; trap

Na haar val moest ze naar het ziekenhuis.
zwangeradjective

pregnant

Ik was destijds drie maanden zwanger.
medischadjective

medical

Ik heb medisch advies nodig.
de afdelingde · noun

department; ward

Ik moest naar de afdeling spoedgevallen gaan.
de stressde · noun

stress

Tom kan niet met stress omgaan.
gewondadjective

injured; wounded

Tom zei dat niemand gewond was geraakt.
de celde · noun

cell

Het menselijk lichaam bestaat uit miljarden cellen.
sportenverb

to exercise; to play sports

Ik sport twee keer per week.
het recepthet · noun

prescription; recipe

De dokter heeft me een recept gegeven.
het gewichthet · noun

weight

Ik maak me zorgen over mijn gewicht.
de koortsde · noun

fever

Tom ligt in bed met koorts.
de alcoholde · noun

alcohol

Medicijnen en alcohol gaan vaak niet samen.
de maagde · noun

stomach

Ik voel een branden in mijn maag.
de enkelde · noun

ankle

Ik heb mijn enkel verstuikt tijdens het voetballen.
rustenverb

to rest

Na de lange wandeling moeten we even rusten.
de tongde · noun

tongue; sole (fish)

Het ligt op het puntje van mijn tong.
de apotheekde · noun

pharmacy

Is hier in de buurt een apotheek?
slikkenverb

to swallow

Tom had moeite de pillen te slikken.
het zweethet · noun

sweat

Toms shirt was doorweekt van het zweet.
hoestenverb

to cough

Ik kan niet stoppen met hoesten.
flauwadjective

bland; lame; faint

Ik denk dat ik flauw ga vallen.
de noodde · noun

emergency; need; distress

In geval van nood belt u 112.
genezenverb

to cure; to heal; to recover

De arts heeft zijn ziekte genezen.
de hoofdpijnde · noun

headache

Wat doe je als je hoofdpijn hebt?
wrijvenverb

to rub

Ze wreef over haar pijnlijke knie.
rillenverb

to shiver; to shudder

Ik begon te rillen.
verminderenverb

to reduce; to decrease

Dit medicijn zal de pijn verminderen.
achteruitadverb

backwards; in reverse; (go) downhill

Toms toestand gaat snel achteruit.
innemenverb

to take (medicine); to occupy

Neem deze tabletten drie keer per dag in.
de specialistde · noun

specialist; expert

Haar dokter wil haar naar een specialist verwijzen.
de apothekerde · noun

pharmacist

De apotheker legt uit hoe je het medicijn gebruikt.
bevallenverb

to give birth; to please

Ze is bevallen van een gezonde baby.
uitrustenverb

to rest; to equip

Je bent ziek, je moet uitrusten.
het bothet · noun

bone

Hij heeft een bot in zijn arm gebroken.
ademenverb

to breathe

Adem rustig in en uit.
raadplegenverb

to consult

Raadpleeg bij klachten altijd uw huisarts.
hijgenverb

to pant; to gasp

Ze was aan het hijgen.
stijfadjective

stiff

Mijn schouders voelen stijf aan.
het littekenhet · noun

scar

Ik heb een litteken op mijn linkerarm.
bewusteloosadjective

unconscious

Tom is waarschijnlijk nog steeds bewusteloos.
de teende · noun

toe

Ik heb pijn aan mijn kleine teen.
verlichtenverb

to light up; to relieve

Deze pillen verlichten de pijn.
de spierde · noun

muscle

Het hart is een spier.
bloedenverb

to bleed

Mijn neus begon ineens te bloeden.
ongezondadjective

unhealthy

Je eet te veel ongezond voedsel.
beschadigenverb

to damage

Alcohol beschadigt de lever.
ondergaanverb

to undergo

Ik heb vorig jaar een grote operatie ondergaan.
de/het opiumde/het · noun

opium

Opium wordt gemaakt van papavers.
kreunenverb

to moan; to groan

Tom was aan het kreunen.
fitadjective

fit; in good shape

Wat doe je om fit te blijven?
de katerde · noun

hangover; tomcat

Ik zit vandaag met een kater.
de verslaafdede · noun

addict

Deze kliniek helpt verslaafden om te stoppen.
bijkomenverb

to recover; to come round; to be added

Ik moet even bijkomen van de drukke week.
plassenverb

to pee; to wee

Het kind moet nodig plassen.
de nagelde · noun

nail

Stop met bijten op je nagels.
prikkenverb

to prick; to sting; to give an injection

De verpleegkundige prikt in je arm voor bloed.
strekkenverb

to stretch; to extend

Sta op en strek je armen en benen.
de assistentede · noun

(female) assistant

De assistente van de huisarts maakt een afspraak voor je.
de kinde · noun

chin

Tom wreef over zijn kin.
de ziekede · noun

sick person; patient

De verpleegkundige zorgt goed voor de zieken.
het gifhet · noun

poison

Pas op, in deze fles zit gif.
bukkenverb

to bend down; to stoop

Ik kan niet bukken.
het welzijnhet · noun

well-being; welfare

Welzijn is belangrijker dan welvaart.
het geneesmiddelhet · noun

medicine; drug

Het effect van het geneesmiddel was bewonderenswaardig.
auinterjection

ouch

Au, ik heb me gesneden!
het vergifhet · noun

poison

Deze paddenstoel bevat vergif.
het virushet · noun

virus

Zou het een virus kunnen zijn?
de bacteriede · noun

bacterium

Was je handen, zodat je geen bacteriën verspreidt.
de rolstoelde · noun

wheelchair

Ik hoef geen rolstoel meer te gebruiken.
de zelfmoordde · noun

suicide

Bij de hulplijn kun je praten als je aan zelfmoord denkt.
stotterenverb

to stutter

Tom is aan het stotteren.
de/het tabletde/het · noun

tablet

Los het tablet op in een glas water.
de bilde · noun

buttock; bottom

Het kind viel op zijn billen.
de griepde · noun

flu; influenza

Ik heb griep en ik ben moe.

Andere Themen

Bedeutungen KI-gestützt verfasst · noch nicht geprüft Level data: NT2Lex (UCLouvain), CC BY-NC-SA 4.0. Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR). Definitions and translations: EUpassway (AI-assisted).