Zum Inhalt springen

Niederländischer Wortschatz: Free time — Wortliste A1–B1 mit Beispielen (2026)

150 niederländische Wörter zum Thema freizeit für die Einbürgerungsprüfung und NT2, nach Niveau sortiert (A1–B1), mit Bedeutung und Beispielsatz. Kostenlos und druckbar.

Mit Karteikarten lernen

Niveau A1

29 Wörter

leukadjective

nice; fun

Het feest was heel leuk.
spelenverb

to play

De kinderen spelen buiten in de tuin.
luisterenverb

to listen

Ik ben naar muziek aan het luisteren.
de kerkde · noun

church

De kerk staat midden in het dorp.
de muziekde · noun

music

Ik ben naar muziek aan het luisteren.
gooienverb

to throw

Gooi de bal terug naar mij.
de fotode · noun

photo; picture

Mag ik een foto van je maken?
het strandhet · noun

beach

Ik ga heel graag naar het strand.
dansenverb

to dance

Tom en Maria zijn aan het dansen.
de vakantiede · noun

holiday; vacation

Ik heb een lange vakantie op komst.
zwemmenverb

to swim

Het is warm genoeg om te zwemmen.
de sportde · noun

sport

Sommige mensen houden van sport, andere niet.
het plezierhet · noun

fun; pleasure

Kan je me een plezier doen, Tom?
het parkhet · noun

park

Waarom gaan we niet naar het park?
de televisiede · noun

television

Ik kijk twee keer per week televisie.
de radiode · noun

radio

Ik heb het gehoord op de radio.
het zwembadhet · noun

swimming pool

Er is een sauna en een zwembad.
het voetbalhet · noun

football; soccer

Ik speel dikwijls voetbal na de les.
de tekeningde · noun

drawing

Ze houdt van de tekening op het bord.
plannenverb

to plan

We moeten onze vakantie goed plannen.
sportiefadjective

sporty; sporting; fair

Hij raadde ons aan sportief te spelen.
de hobbyde · noun

hobby

Ik heb een nieuwe hobby nodig.
de sportschoolde · noun

gym

Ik ben in de sportschool.
het dansfeesthet · noun

dance party

Ik kleed me om voor ik naar het dansfeest ga.
het tennishet · noun

tennis

Ik speel een uur per dag tennis.
kamperenverb

to camp

Waarom gaan we niet kamperen?
de missde · noun

beauty queen; Miss

Zij werd vorig jaar gekozen tot Miss Nederland.
de danslesde · noun

dance lesson

Mijn dochter heeft elke woensdag dansles.
de vakantiereisde · noun

holiday trip

We boeken onze vakantiereis altijd in januari.

Niveau A2

121 Wörter

het verhaalhet · noun

story

Ik denk dat het verhaal waar is.
prachtigadjective

beautiful; wonderful

Van hieruit heb je een prachtig uitzicht.
het paardhet · noun

horse

Mijn dochter rijdt elke zaterdag op een paard.
zingenverb

to sing

Het is jouw beurt om te zingen.
springenverb

to jump

De hond is aan het springen.
de filmde · noun

film; movie

Ik heb die film nog nooit gezien.
schietenverb

to shoot; to hurry (schiet op)

Schiet op of we komen te laat!
het kasteelhet · noun

castle

We zagen een kasteel in de verte.
de krantde · noun

newspaper

Ik ben de krant aan het lezen.
het spelhet · noun

game; play

Zullen we een spel spelen?
winnenverb

to win

Ik ben benieuwd wie er gaat winnen.
de balde · noun

ball

De hond ging achter de bal aan.
het liedhet · noun

song

Ik heb haar een lied horen zingen.
de schrijverde · noun

writer; author

Wie is de schrijver van dit boek?
wandelenverb

to walk; to hike

Hij houdt van wandelen in het park.
de prinsde · noun

prince

De prins leerde Engels van de Amerikaanse dame.
het zwaardhet · noun

sword

De pen is machtiger dan het zwaard.
de torende · noun

tower

De toren kan vanaf hier gezien worden.
de cultuurde · noun

culture

De studenten praten over taal en cultuur.
grappigadjective

funny

Haar hoed zag er heel grappig uit.
het museumhet · noun

museum

Ze nam de taxi naar het museum.
populairadjective

popular

Deze muziek is populair bij jonge mensen.
beroemdadjective

famous

Misschien zal hij wel nooit beroemd worden.
genietenverb

to enjoy

We hebben genoten van het mooie weer.
de kustde · noun

coast

In de zomer gaan we naar de kust.
de graafde · noun

count; earl

De graaf woonde vroeger in dit kasteel.
het schilderijhet · noun

painting

Weet u wie dit schilderij heeft geschilderd?
biddenverb

to pray

Waarom knielen mensen om te bidden?
het paleishet · noun

palace

Het paleis heeft een hoge toren.
de zaalde · noun

hall; room

Er waren tweehonderd mensen in de zaal.
de ridderde · noun

knight

Kijk naar die ridder op het paard.
belevenverb

to experience

We gaan veel plezier beleven.
klimmenverb

to climb

Een beer kan in een boom klimmen.
verschijnenverb

to appear; to be published

Een geactualiseerde versie van de encyclopedie zal de volgende maand verschijnen.
de kunstde · noun

art; skill

Hij heeft een goed oog voor kunst.
de vampierde · noun

vampire

Ik had een nachtmerrie over vampieren.
het programmahet · noun

programme; program

Het programma van vandaag is een herhaling.
de barde · noun

bar

Waar is de dichtstbijzijnde bar?
het publiekhet · noun

public; audience

Is het park open voor het publiek?
de prinsesde · noun

princess

Tom behandelt me als een prinses.
het dagboekhet · noun

diary

Ik was op zoek naar mijn dagboek.
het gedichthet · noun

poem

Ze vroeg me vijf gedichten te lezen.
saaiadjective

boring; dull

Het is saai om thuis te blijven.
de plaatde · noun

plate; record; picture

Mijn opa luistert graag naar oude platen.
verzamelenverb

to collect; to gather

Mijn hobby is het verzamelen van oude flessen.
de kunstenaarde · noun

artist

Kunstenaars worden in Frankrijk zeer gerespecteerd.
het padhet · noun

path

Het pad was niet duidelijk aangegeven.
regelmatigadjective

regular; regularly

Ik sport regelmatig in de sportschool.
meedoenverb

to take part; to join in

Ik wil dat meer mensen meedoen.
eindigenverb

to end; to finish

De film eindigt om tien uur.
roeienverb

to row

In de zomer roeien we op het meer.
het kloosterhet · noun

monastery; convent

In het oude klooster zit nu een museum.
het konijnhet · noun

rabbit

Ik heb een konijn als huisdier.
aanvallenverb

to attack

In de tweede helft moet ons team meer aanvallen.
het toneelstukhet · noun

play (theatre)

Dat toneelstuk is gebaseerd op de roman.
de clubde · noun

club

Van welke club wil je lid worden?
typischadjective

typical; typically

Kaas en fietsen zijn typisch Nederlands.
de tegenstanderde · noun

opponent

Hij haalt altijd voordeel uit de gemaakte fouten van zijn tegenstanders.
de gidsde · noun

guide; guidebook

Mijn vriend zal onze gids zijn.
de detectivede · noun

detective; detective novel

Hij gaat op in het lezen van detectives.
de heksde · noun

witch

Mary verkleedde zich als heks.
cultureeladjective

cultural

Amsterdam heeft een rijk cultureel leven.
verslaanverb

to defeat; to beat

Ik denk niet dat je mij kunt verslaan.
de sloepde · noun

sloop; small open boat

In de zomer varen we met een sloep door de grachten.
de wedstrijdde · noun

match; competition

Ben je de wedstrijd aan het kijken?
vervelenverb

to be bored; to bore

Het publiek lijkt zich te vervelen.
de traditiede · noun

tradition

Goede tradities moeten behouden worden.
de godde · noun

god

In de oude Griekse verhalen zijn er veel goden.
duikenverb

to dive

Ik wil in de rivier duiken.
de/het jachtde/het · noun

(de) hunt; (het) yacht

Er zijn veel jachten in de haven.
de grachtde · noun

canal

Amsterdam is beroemd om zijn grachten.
de sfeerde · noun

atmosphere

De sfeer in dit restaurant bevalt mij.
uitgaanverb

to go out

Zullen we zaterdagavond uitgaan?
het avontuurhet · noun

adventure

Hij houdt van avontuur.
schitterendadjective

splendid; brilliant

Wat een schitterend zicht!
spannendadjective

exciting; thrilling

Dat is erg spannend.
de voorstellingde · noun

performance; show; idea

Ik zie je na de voorstelling.
het nethet · noun

net; network; channel

De bal ging recht in het net.
strijdenverb

to fight; to compete

De spelers streden om de eerste plaats.
de gewoontede · noun

habit; custom

Elk land heeft zijn eigen gewoontes.
de wandelingde · noun

walk

Mijn vader maakt iedere dag een wandeling.
de huwelijksreisde · noun

honeymoon

We waren op huwelijksreis in Australië.
trainenverb

to train; to work out

Tom is aan het trainen.
de tochtde · noun

trip; tour; draught

We maakten een mooie tocht door het bos.
de cdde · noun

CD

Ik heb hem een cd geleend.
de spelerde · noun

player

Tom is de beste speler van het team.
de bijbelde · noun

Bible

Tom is de Bijbel aan het lezen.
de pastoorde · noun

(Catholic) priest; parish priest

De pastoor is in de kerk.
klappenverb

to clap; to applaud

Tom begon te klappen.
ontspannenverb

to relax

Dit is je kans om te ontspannen.
de kroegde · noun

pub; bar

Na het werk drinken we een biertje in de kroeg.
de lolde · noun

fun

Jullie tweeën lijken wel lol te hebben.
de koetsde · noun

carriage; coach

De koning rijdt in een gouden koets.
de pianode · noun

piano

Ik ben nu piano aan het spelen.
voetballenverb

to play football

Tom vindt het leuk om te voetballen.
historischadjective

historical; historic

Leiden is een historische stad met veel oude gebouwen.
vissenverb

to fish

Ik hou van vissen in de rivier.
de dansde · noun

dance

Mag ik deze dans van u?
verkledenverb

to change clothes; to dress up

De kinderen verkleden zich als piraten voor het feest.
de overwinningde · noun

victory; win

Laten we onze overwinning vieren!
zilverenadjective

silver

Hij won een zilveren medaille.
de rondede · noun

round; lap

Hij won de eerste ronde van de wedstrijd.
weddenverb

to bet

Ik zou er niet op wedden.
de middeleeuwende · noun

Middle Ages

De middeleeuwen maakten plaats voor de renaissance.
reserverenverb

to reserve; to book

Ik zou graag drie plaatsen willen reserveren.
het maskerhet · noun

mask

Op carnaval draagt iedereen een masker.
het spookhet · noun

ghost

Tom zag een spook.
schakenverb

to play chess

Tom kan veel beter schaken dan ik.
luidenverb

to ring; to toll; to read (as)

De kerkklokken luiden elke zondag.
de schurkde · noun

villain; scoundrel

In de film wint de held van de schurk.
de weddenschapde · noun

bet; wager

Ik verloor een weddenschap.
de artiestde · noun

artist; performer

Veel beroemde artiesten wonen in New York.
rondlopenverb

to walk around

We liepen een uurtje rond in de oude stad.
schaatsenverb

to skate

Ben je een beetje goed in schaatsen?
het harnashet · noun

armour; harness

De ridder droeg een zwaar harnas.
de tentde · noun

tent

Is die tent van jou?
het paradijshet · noun

paradise

Het eiland is een paradijs voor kinderen.
het sprookjehet · noun

fairy tale

Het leest als een sprookje.
juichenverb

to cheer

Iedereen is aan het juichen.
zeilenverb

to sail

Ik zou graag rond de wereld zeilen.
de reusde · noun

giant

In het sprookje woont een reus in het bos.

Andere Themen

Bedeutungen KI-gestützt verfasst · noch nicht geprüft Level data: NT2Lex (UCLouvain), CC BY-NC-SA 4.0. Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR). Definitions and translations: EUpassway (AI-assisted).