Zum Inhalt springen

Niederländischer Wortschatz: Shopping — Wortliste A1–B1 mit Beispielen (2026)

150 niederländische Wörter zum Thema einkaufen für die Einbürgerungsprüfung und NT2, nach Niveau sortiert (A1–B1), mit Bedeutung und Beispielsatz. Kostenlos und druckbar.

Mit Karteikarten lernen

Niveau A1

33 Wörter

maaradverb

only; just

Ik ben alleen maar aan het kijken.
dezepronoun

this; these

Deze jas is te duur.
teadverb

too

Deze schoenen zijn te klein.
het geldhet · noun

money

Ik heb niet genoeg geld bij me.
mogenverb

may; to be allowed to

Zou ik een papieren zak mogen hebben?
betalenverb

to pay

Kan ik hier met pin betalen?
kopenverb

to buy

Ik koop brood bij de bakker.
passenverb

to fit; to suit; to try on

Je schoenen passen niet bij dat pak.
de winkelde · noun

shop; store

We zijn de winkel aan het sluiten.
verkopenverb

to sell

Tom heeft besloten zijn auto te verkopen.
hoeveelnumeral

how much; how many

Hoeveel kost dit brood?
kostenverb

to cost

Hoeveel kost een kaartje?
de eurode · noun

euro

Ik verdien 100 euro per dag.
de jasde · noun

coat; jacket

Vandaag zul je geen jas nodig hebben.
dankenverb

to thank

Nee, dank u. Ik kijk wat rond.
de prijsde · noun

price; prize

Ze werden het eens over de prijs.
duuradjective

expensive

Je pak ziet er erg duur uit.
de boodschapde · noun

message; (pl.) groceries

Ik ga even boodschappen doen.
de klantde · noun

customer; client

Tom is een van mijn beste klanten.
het producthet · noun

product

Dat product is momenteel niet op voorraad.
de schoende · noun

shoe

Deze schoenen zijn te klein voor mij.
de dollarde · noun

dollar

Ik heb het voor tien dollar verkocht.
het horlogehet · noun

watch

Ik ben op zoek naar mijn horloge.
grijsadjective

grey

Is jouw nieuwe jas zwart of grijs?
de riemde · noun

belt; strap; leash

Welke kleur riem draag je gewoonlijk?
de supermarktde · noun

supermarket

Ik moet vandaag langs de supermarkt gaan.
de zakdoekde · noun

handkerchief

Ik ben mijn zakdoeken aan het strijken.
de bloesde · noun

blouse

Deze bloes is van katoen.
de webwinkelde · noun

online shop; webshop

Ik bestel mijn schoenen meestal in een webwinkel.
exclusiefadjective

excluding; exclusive

De prijs is exclusief btw.
te kopenphrase

available (to buy)

Dit boek is ook online te kopen.
de groentewinkelde · noun

greengrocer's

De groentewinkel op de hoek verkoopt ook fruit.
de crèmespoelingde · noun

hair conditioner

Na de shampoo gebruik ik altijd crèmespoeling.

Niveau A2

117 Wörter

het pakhet · noun

suit; package, pack

Je pak ziet er erg duur uit.
de persoonde · noun

person

De kaartjes kosten tien euro per persoon.
de zakde · noun

bag; pocket

Zou ik een papieren zak mogen hebben?
gratisadjective

free (of charge)

Gratis raad is niet altijd goede raad.
vooruitadverb

forward; ahead; in advance

Wil je dat ik vooruit betaal?
de jurkde · noun

dress

Ze was haar jurk aan het strijken.
openenverb

to open

De winkel opent om negen uur.
de kostde · noun

cost; costs; living

Er komen echter nog andere kosten bij.
de tasde · noun

bag

Ze stopte de sleutel in haar tas.
de rekeningde · noun

bill; account

Ik heb rekeningen die ik moet betalen.
helaasadverb

unfortunately

Dat hebben we helaas niet op voorraad.
de centde · noun

cent

Een brood kost twee euro en vijftig cent.
het pondhet · noun

pound (500 g); pound sterling

Ik wil graag een pond kaas.
de broekde · noun

trousers; pants

Deze broek is te lang.
goedkoopadjective

cheap

We hebben in een goedkoop hotel overnacht.
de marktde · noun

market

Het was druk op de markt.
leverenverb

to deliver; to supply

Het pakket wordt morgen geleverd.
de hoedde · noun

hat

Haar hoed zag er heel grappig uit.
de rijde · noun

row; line; queue

Tom wachtte in de rij met Maria.
bewarenverb

to keep; to store

Bewaar het bonnetje voor als je iets wilt ruilen.
het goudhet · noun

gold

Het is niet al goud dat blinkt.
apartadjective

separate; separately; unusual

Batterijen worden apart verkocht.
de kledingde · noun

clothing; clothes

Onze kinderen hebben nieuwe kleding nodig.
bestedenverb

to spend

Je moet het geld verstandig besteden.
stijgenverb

to rise; to increase

De prijzen zullen zeker stijgen.
belachelijkadjective

ridiculous

Die prijs is echt belachelijk hoog.
de maatde · noun

size; measure

Heb je deze schoenen in mijn maat?
plaatsenverb

to place; to put; to post

Ik heb een advertentie op internet geplaatst.
de muntde · noun

coin; mint

Tom haalde wat munten uit zijn zak.
de mandde · noun

basket

Er zitten wat appels in de mand.
verschillenverb

to differ

De prijzen verschillen per winkel.
kledenverb

to dress

Hoe hoor ik mezelf te kleden?
strakadjective

tight

Deze rok is een beetje te strak.
stortenverb

to deposit; to pour; to collapse

Stort het geld in een bank a.u.b.
tijdelijkadjective

temporary

Dit is een tijdelijk aanbod enkel voor nieuwe klanten.
twijfelenverb

to doubt; to hesitate

Ik twijfel nog of ik die jas koop.
de waardede · noun

value

De waarde van de yen is flink gestegen.
de karde · noun

cart

De boer trok een kar vol groente naar de markt.
de dasde · noun

tie; scarf; badger

Ik draag niet iedere dag een das.
sparenverb

to save

Ik ben aan het sparen.
de/het gramde/het · noun

gram

Hoeveel calorieën zitten er in 100 gram boter?
onlineadjective

online

Normaal koop ik geen dingen online.
bezorgenverb

to deliver; to cause

We kunnen het vanavond bezorgen.
de guldende · noun

guilder

Vroeger betaalde je in Nederland met guldens.
besparenverb

to save

Wat is de beste manier om geld te besparen?
winkelenverb

to shop; to go shopping

Op zaterdag gaan we vaak winkelen in de stad.
uitgevenverb

to spend; to publish

Stop met geld uitgeven aan domme dingen.
oranjeadjective

orange

Waar heb je die oranje sjaal vandaan?
de dankde · noun

thanks; gratitude

Nee, dank u. Ik kijk wat rond.
de bakkerde · noun

baker; bakery

Ik ben een bakker.
de petde · noun

cap

Is dit jouw pet?
de modede · noun

fashion

Rood is niet meer in de mode.
lokaaladjective

local

Wij kopen graag lokale producten op de markt.
het totaalhet · noun

total

Het totaal van de rekening is 45 euro.
de verkoopde · noun

sale; sales

Hij zette zijn huis in de verkoop.
de kettingde · noun

necklace; chain

Je ketting past mooi bij die jurk.
het zilverhet · noun

silver

Het zilver ligt op de tafel.
de advertentiede · noun

advertisement; ad

We gaan een kleine advertentie plaatsen in de krant.
de mantelde · noun

coat; cloak

Ze droeg een blauwe mantel.
de voorraadde · noun

stock; supply

Dat hebben we helaas niet op voorraad.
de literde · noun

litre

Een liter melk kost ongeveer een euro.
het hemdhet · noun

shirt; vest; undershirt

Deze das past goed bij je hemd.
de rokde · noun

skirt

Ze draagt vandaag een blauwe rok.
de zijdede · noun

silk; side

Waar kan ik zijde kopen?
de mouwde · noun

sleeve

De mannen dragen shirts met korte mouwen.
dalenverb

to fall; to drop; to descend

De vleesprijs zal spoedig dalen.
de portemonneede · noun

wallet; purse

Tom heeft bijna niets in zijn portemonnee.
de aanwijzingde · noun

instruction; clue; indication

Lees eerst de aanwijzingen op de verpakking.
de mutsde · noun

woolly hat; beanie

Tom draagt vandaag een muts.
het ondergoedhet · noun

underwear

Neem genoeg schoon ondergoed mee op reis.
ruilenverb

to exchange; to swap

Kan ik deze broek ruilen voor een andere maat?
de handschoende · noun

glove

Ik heb een nieuw paar handschoenen gekocht.
inclusiefpreposition

including; inclusive of

Dit bedrag is inclusief belasting.
de kassade · noun

checkout; cash register

Waar is de kassa?
het overhemdhet · noun

shirt

Ik heb een schoon overhemd nodig.
de sjaalde · noun

scarf

Vind je mijn gele sjaal niet leuk?
teruggevenverb

to give back; to return

Ik zal het boek teruggeven zodra ik kan.
het winkelcentrumhet · noun

shopping centre; mall

Is er een bus naar het winkelcentrum?
het voerhet · noun

feed; fodder

Vergeet niet om voer voor de kat te kopen.
de sokde · noun

sock

Er zit een gat in mijn sok.
de laarsde · noun

boot

Als het regent, draag ik mijn rubberen laarzen.
het speelgoedhet · noun

toys

Tom koopt wat speelgoed voor zijn kinderen.
de broekzakde · noun

trouser pocket

Heb je in je broekzak gekeken?
de truide · noun

sweater; jumper

Mijn trui is gekrompen in de was.
de baljurkde · noun

ball gown

Ze droeg een prachtige baljurk op het gala.
de armbandde · noun

bracelet

Tom heeft de armband verkocht.
de parelde · noun

pearl

Ze draagt een ketting van parels.
de kilode · noun

kilo

Weet je hoeveel een kilo rijst kost?
op de marktphrase

at the market; on the market

Het was druk op de markt.
het pakkethet · noun

package; parcel

Ik wil dat u dit pakket meteen verstuurt.
de winkelierde · noun

shopkeeper; retailer

De winkelier opent zijn zaak om negen uur.
de tabakde · noun

tobacco

De kamer rook naar tabak.
te koopphrase

for sale

Dit boek is niet te koop.
het etikethet · noun

label

Lees het etiket zorgvuldig.
het vesthet · noun

cardigan; vest; waistcoat

Het is koud, doe je vest maar aan.
de verkoperde · noun

salesperson; seller

Een verkoper verdient niet veel.
de kortingde · noun

discount

Kun je mij wat korting geven?
knippenverb

to cut (with scissors)

Je moet je haar eens laten knippen.
afdoenverb

to take off (price); to finish; to remove

Kan je een beetje van de prijs afdoen?
de boekwinkelde · noun

bookshop

Ze koopt boeken in de boekwinkel.
terugbetalenverb

to pay back; to refund

Tom zal me volgende week terugbetalen.
de bestellingde · noun

order

Ik kom zo terug met uw bestelling.
de hakde · noun

heel

Ze draagt schoenen met hoge hakken.
het dubbeltjehet · noun

ten-cent coin; dime

Een dubbeltje is tien cent.
de kousde · noun

stocking; sock

Ze droeg zwarte kousen onder haar rok.
tweedehandsadjective

second-hand; used

Ik kan me niet veroorloven een tweedehands auto te kopen.
ontevredenadjective

dissatisfied; unhappy

Veel klanten zijn ontevreden over de service.
de edelsteende · noun

gemstone; precious stone

De ring heeft een blauwe edelsteen.
het muntstukhet · noun

coin

Ik heb een muntstuk op de stoep gevonden.
de kraagde · noun

collar

De kraag van mijn overhemd is vies.
rozeadjective

pink

Ze draagt een roze jas.
het bankbiljethet · noun

banknote

Dit is een bankbiljet van vijftig euro.
de gespde · noun

buckle

De gesp van mijn riem is kapot.
rondkijkenverb

to look around

Mag ik even rondkijken?
het juweelhet · noun

jewel

Die oude kerk is het juweel van het dorp.
de strikde · noun

bow; bow tie; snare

Het cadeau heeft een mooie rode strik.
de creditcardde · noun

credit card

Kan ik met een creditcard betalen?

Andere Themen

Bedeutungen KI-gestützt verfasst · noch nicht geprüft Level data: NT2Lex (UCLouvain), CC BY-NC-SA 4.0. Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR). Definitions and translations: EUpassway (AI-assisted).