Startroute A1
15. Gisteren en morgen
Vertellen wat je deed en wat je gaat doen.
Handige zinnen
Luister en zeg elke zin hardop.
- Morgen ga ik naar de markt.Tomorrow I’m going to the market.
- Gisteren heb ik gekookt.Yesterday I cooked.
- Ik ben naar Rotterdam geweest.I have been to Rotterdam.
- Volgend jaar wil ik A2 halen.Next year I want to pass A2.
12 woorden
Tik op een woord voor de woordkaart met meer voorbeelden.
Snelle quiz
Je beste score blijft in deze browser.
1zijn
2kunnen
3moeten
4zien
5komen
6zullen
1. zijn = bestaan
2. kunnen = in staat zijn
3. moeten = verplicht zijn
4. zien = met je ogen waarnemen
5. komen = naar hier gaan
6. zullen = in de toekomst doen