Naar inhoud

Woordenlijst vervoer — Nederlandse woorden A1–B1 met voorbeeldzinnen (2026)

150 Nederlandse woorden over vervoer voor het inburgeringsexamen en NT2, op niveau (A1–B1), met betekenis en voorbeeldzin. Gratis en te printen.

Leren met woordkaarten

Niveau A1

50 woorden

metpreposition

samen; door middel van

Ik ga met de trein naar Amsterdam.
naarpreposition

in de richting van

Ik heb een lift naar huis nodig.
lopenverb

te voet gaan

Ik ben te moe om te lopen.
sneladjective

met hoge snelheid

De trein is sneller dan de bus.
nemenverb

pakken; gebruiken

Ik neem de trein naar mijn werk.
veradjective

op grote afstand

Hoe ver is het naar het vliegveld?
bijnaadverb

niet helemaal

Ik werd bijna aangereden door een auto.
wachtenverb

blijven tot iets gebeurt

Ik wacht op de bus.
de wegde · noun

straat buiten de stad

Weet u de weg naar het station?
de autode · noun

voertuig met vier wielen

Mijn auto staat voor het huis.
rijdenverb

met een auto of fiets gaan

Ik rijd elke dag naar mijn werk.
stoppenverb

niet verder gaan

Deze bus stopt bij het station.
de bootde · noun

klein schip

Ik stak de rivier over per boot.
langspreposition

naast iets verder gaan

We fietsen langs het water.
roodadjective

met de kleur van bloed

Het stoplicht staat op rood.
de straatde · noun

weg in een stad of dorp

Ik heb hem de straat zien oversteken.
de reisde · noun

een tocht naar een andere plek

Hopelijk heeft u genoten van uw reis.
rennenverb

heel snel lopen

Ik moest rennen om de bus te halen.
vertrekkenverb

weggaan

De trein vertrekt om acht uur.
de treinde · noun

vervoer over rails

We kunnen beter met de trein gaan.
stappenverb

een stap zetten

We stappen in de bus naar het centrum.
de fietsde · noun

vervoer met twee wielen en trappers

Tom is hier met de fiets gekomen.
de busde · noun

groot voertuig voor veel passagiers

Ik stond op de bus te wachten.
de kilometerde · noun

duizend meter

We hebben zo'n drie kilometer gelopen.
het stationhet · noun

plek waar de trein stopt

Hij nam me mee naar het station.
de havende · noun

plek waar schepen aanleggen

Het schip is nu in de haven.
rechtsadverb

aan de rechterkant

Draai naar rechts aan de volgende hoek.
het vliegtuighet · noun

machine die door de lucht vliegt

Ik kan niet slapen in een vliegtuig.
fietsenverb

op de fiets rijden

Ik fiets elke dag naar mijn werk.
het centrumhet · noun

midden van de stad

Welke trein gaat naar het centrum?
linksadverb

aan de linkerkant

Hij keek naar links en naar rechts.
de chauffeurde · noun

iemand die voor zijn werk rijdt

Tom is een heel voorzichtige chauffeur.
de filede · noun

lange rij auto's die stilstaan

Er staat een file op de snelweg.
de routede · noun

de weg die je neemt

Weet je welke route te nemen?
besturenverb

een auto rijden; leiden

Deze auto is gemakkelijk om te besturen.
de garagede · noun

plek voor of reparatie van auto's

Mijn auto staat deze week in de garage.
de buschauffeurde · noun

iemand die een bus bestuurt

De buschauffeur controleert je kaartje.
de tramde · noun

een elektrische trein in de stad

Trams werken op elektriciteit.
het vliegveldhet · noun

een plek waar vliegtuigen landen

Hoe ver is het naar het vliegveld?
de taxide · noun

een auto die je betaalt om je te brengen

Kunt u een taxi voor me bestellen?
de bushaltede · noun

plek waar de bus stopt

Tom stapte bij de volgende bushalte uit.
de benzinede · noun

brandstof voor een auto

De benzine is weer duurder geworden.
overstappenverb

van de ene trein of bus in de andere gaan

Op het volgende station moet u overstappen.
autorijdenverb

met de auto rijden

Tom weet dat Mary niet kan autorijden.
het wielhet · noun

een rond ding onder een fiets of auto

Mijn fiets heeft een lekke band aan het voorwiel.
de taxichauffeurde · noun

iemand die een taxi rijdt

De taxichauffeur bracht ons naar het station.
de navigatiede · noun

de weg vinden met een systeem

Zet de navigatie maar aan, ik ken de weg niet.
het vliegtickethet · noun

kaartje voor het vliegtuig

Ik heb een vliegticket naar Beijing geboekt.
de luchtvaartmaatschappijde · noun

bedrijf met vliegtuigen

Welke luchtvaartmaatschappij vliegt direct naar Shanghai?
de metrode · noun

trein onder de grond in de stad

Laten we met de metro gaan.

Niveau A2

100 woorden

minderpronoun

niet zoveel als

De treinen rijden 's nachts minder vaak.
de kapiteinde · noun

de baas van een schip

Wie is de kapitein van dit schip?
het schiphet · noun

een grote boot

Het schip is nu in de haven.
wijzenverb

met je vinger laten zien

Kan je me de weg wijzen?
draaienverb

rond gaan; een bocht maken

Draai naar rechts aan de volgende hoek.
vliegenverb

door de lucht gaan

We vliegen in de zomer naar China.
missenverb

niet halen; verlangen naar

Schiet op, anders missen we de trein!
reizenverb

naar andere plaatsen gaan

Mijn vader is gewend om te reizen.
lettenverb

goed opletten

We moeten op het stoplicht letten.
duwenverb

met kracht van je af bewegen

Ik moest mijn fiets duwen omdat ik een platte band had.
varenverb

met een boot over het water gaan

We varen naar het zuiden.
aankomenverb

ergens komen na een reis

Ik zal een beetje laat aankomen.
de hoekde · noun

plek waar twee straten of muren samenkomen

Draai naar rechts aan de volgende hoek.
de bandde · noun

rubber rond een wiel; muziekgroep

Kan er iemand een lekke band herstellen?
het hotelhet · noun

gebouw waar je betaalt om te slapen

Er zijn veel hotels in de binnenstad.
het doelhet · noun

wat je wilt bereiken

Wat is het doel van uw reis?
de richtingde · noun

de kant waar je naartoe gaat

Tom en Mary vertrokken in dezelfde richting.
tegenoverpreposition

aan de andere kant van

De bakker is tegenover de kerk.
het buitenlandhet · noun

andere landen dan je eigen land

Ik ga elke zomer naar het buitenland.
onderwegadverb

terwijl je reist

Ik heb dit onderweg naar huis gevonden.
de wagende · noun

auto; kar

Hij parkeerde zijn wagen voor het huis.
de grensde · noun

lijn tussen twee landen

We wonen in de buurt van de grens.
het spoorhet · noun

plaats waar de trein staat; teken dat iemand er was

De trein naar Utrecht vertrekt van spoor 5.
de stuurmande · noun

iemand die een schip stuurt

Op een schip helpt de stuurman de kapitein.
de afstandde · noun

hoe ver iets weg is

Wat is de afstand van Amsterdam naar Utrecht?
boekenverb

een reis of hotel reserveren

Wij hebben een hotel in Parijs geboekt.
het boordhet · noun

de rand van een schip

Hij stapte aan boord van het vliegtuig.
de kofferde · noun

een tas voor kleren op reis

Ik kan deze koffer niet alleen dragen.
de brugde · noun

iets om over water te gaan

Het schip voer onder de brug door.
de vluchtde · noun

een reis met het vliegtuig; het vluchten

Mijn vlucht zal over een uur vertrekken.
de herbergde · noun

een oud soort hotel of café

Vroeger sliepen reizigers in een herberg.
de vaartde · noun

snelheid; het varen

De bus reed met flinke vaart door het dorp.
kerenverb

draaien, omdraaien

De chauffeur keerde de bus op het plein.
dronkenadjective

te veel alcohol op

Je bent te dronken om te rijden.
de snelheidde · noun

hoe snel iets gaat

Tom rijdt gewoonlijk iets harder dan de toegestane snelheid.
het dekhet · noun

vloer bovenop een schip

We zaten in de zon op het dek van de boot.
het rijtuighet · noun

koets; wagon van een trein

De trein heeft vandaag maar vier rijtuigen.
centraaladjective

in het midden

Het station ligt heel centraal in de stad.
doorlopenverb

verder lopen

Als we niet doorlopen komen we te laat.
het vervoerhet · noun

het brengen van mensen of dingen

De mensen zijn hier afhankelijk van het openbaar vervoer.
op wegphrase

onderweg

Ik ben nu op weg naar huis.
het verkeerhet · noun

auto's, fietsen en mensen op straat

Ik was te laat vanwege het verkeer.
het voordeelhet · noun

iets positiefs

Het voordeel van fietsen is dat je nooit in de file staat.
de boetede · noun

geld dat je moet betalen als straf

Ik kreeg een boete omdat ik voor een brandkraan parkeerde.
de brandstofde · noun

benzine, diesel, gas

Er was een tekort aan brandstof.
verderopadverb

een stukje verder

Ze woont verderop in de straat.
maximaaladjective

het meeste

U mag hier maximaal twee uur parkeren.
de helmde · noun

harde hoed ter bescherming

Die helm heeft je leven gered.
de bagagede · noun

koffers en tassen op reis

Wat heeft u met mijn bagage gedaan?
de overkantde · noun

de andere kant

Het is aan de overkant van de straat.
de liftde · noun

apparaat dat je naar boven brengt; meerijden

Ik gaf Tom een lift naar huis.
de pijlde · noun

teken dat de richting aangeeft

Volg de pijlen naar de uitgang.
teruggaanverb

weer naar een plek gaan

Laten we teruggaan en nog wat bijkopen.
de toeristde · noun

iemand die op vakantie een plek bezoekt

Amsterdam is een populaire bestemming voor toeristen.
het verblijfhet · noun

de tijd dat je ergens bent

Ze verlengde haar verblijf met vijf dagen.
stilstaanverb

niet bewegen; nadenken over

Door de storing stond de trein een uur stil.
de reizigerde · noun

iemand die reist

Reizigers naar Utrecht moeten hier overstappen.
de stoepde · noun

het pad langs de straat voor voetgangers

Je mag niet op de stoep parkeren.
de snelwegde · noun

een brede weg voor snel verkeer

Er staat een file op de snelweg.
parkerenverb

een auto ergens neerzetten

Je mag niet op de stoep parkeren.
het vertrekhet · noun

het weggaan

Hij besloot zijn vertrek uit te stellen.
passerenverb

voorbijgaan

De bus passeert om tien uur het station.
het zadelhet · noun

waar je op zit op een fiets of paard

Het zadel van mijn fiets is te hoog.
de passagierde · noun

iemand die meereist in een voertuig

Gelukkig raakte geen van de passagiers gewond.
de fietserde · noun

iemand die fietst

Tom werd aangereden door een fietser.
de mastde · noun

een hoge paal op een boot

De zeilboot heeft een hoge mast.
de gordelde · noun

riem in de auto

Vergeet niet je gordel om te doen.
uitstappenverb

uit een bus of trein gaan

Laten we uitstappen bij het volgende station.
de pechde · noun

geen geluk

We hadden pech onderweg: een lekke band.
smaladjective

niet breed

De weg is te smal voor auto's.
de stopde · noun

een pauze; het stoppen

De bus heeft een korte stop in Utrecht.
naderenverb

dichterbij komen

De trein nadert het station.
het pleinhet · noun

een open plek in de stad

De menigte vulde het plein.
verdwalenverb

de weg kwijtraken

Ik was bang om te verdwalen in het donker.
de spitsde · noun

de drukste tijd op de weg

Ik wil de spits vermijden.
de aankomstde · noun

het aankomen

Ik heb haar op de hoogte gebracht van mijn aankomst.
de uitgangde · noun

de deur waar je naar buiten gaat

Deze deur is de enige uitgang.
elektrischadjective

werkt op stroom

Ik rijd sinds kort in een elektrische auto.
afhalenverb

iemand of iets ophalen

Wanneer zal ik je morgen afhalen?
schuinadjective

niet recht, scheef

Er is een supermarkt schuin aan de overkant van de straat.
inhalenverb

voorbijgaan; iets alsnog doen

Je mag hier geen andere auto's inhalen.
het rijbewijshet · noun

een pasje waarmee je auto mag rijden

Afgelopen maand heb ik mijn rijbewijs verlengd.
de bochtde · noun

een plek waar de weg draait

De vrachtwagen nam een scherpe bocht naar links.
overboordadverb

van een schip in het water

Tom viel overboord.
rechtdooradverb

niet afslaan

Ga rechtdoor tot je bij de kerk bent.
de douanede · noun

de dienst die bagage aan de grens controleert

Waar is de douane?
linksafadverb

naar links

Sla op de volgende hoek linksaf.
botsenverb

tegen elkaar aan rijden

Twee auto's zijn op de snelweg gebotst.
terugkerenverb

teruggaan, terugkomen

Na de vakantie keerde ze terug naar Nederland.
de automobilistde · noun

iemand die auto rijdt

Automobilisten moeten hier langzaam rijden.
bereikbaaradjective

je kunt er komen of iemand spreken

Het stadion is met de bus bereikbaar.
de tunnelde · noun

een weg onder de grond of door een berg

De trein ging door een tunnel.
de conducteurde · noun

iemand die in de trein kaartjes controleert

De conducteur is vergeten mijn kaartje te stempelen.
de haltede · noun

plek waar de bus of tram stopt

Bij de volgende halte moet u overstappen.
de tripde · noun

korte reis

Tom maakte een road trip met zijn vrienden.
de werkzaamheidde · noun

werk dat gedaan wordt

Door werkzaamheden rijden er geen treinen.
afslaanverb

een andere weg in gaan; weigeren

U had links moeten afslaan.
de drempelde · noun

verhoging bij de deur of op de weg

Rij langzaam, er liggen drempels in de straat.
haastenverb

snel doen, opschieten

We moeten ons haasten, de trein vertrekt zo.
omkerenverb

de andere kant op gaan of draaien

We zouden moeten omkeren.

Andere thema’s

Betekenissen gemaakt met hulp van AI · nog niet gecontroleerd Level data: NT2Lex (UCLouvain), CC BY-NC-SA 4.0. Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR). Definitions and translations: EUpassway (AI-assisted).