Naar inhoud

Woordenlijst wonen — Nederlandse woorden A1–B1 met voorbeeldzinnen (2026)

150 Nederlandse woorden over wonen voor het inburgeringsexamen en NT2, op niveau (A1–B1), met betekenis en voorbeeldzin. Gratis en te printen.

Niveau A1

52 woorden

het huishet · noun

een gebouw om in te wonen

Wij hebben een huis met een tuin.
de kamerde · noun

een ruimte in een huis

Het nummer van mijn kamer is 5.
wonenverb

een huis hebben op een plek

Waar woont u?
het bedhet · noun

meubel om op te slapen

Je kan maar beter naar bed gaan.
thuisadverb

in je eigen huis

Ik hoop dat je je thuis voelt.
de deurde · noun

je gaat erdoor een kamer in

Doe de deur dicht, alsjeblieft.
leggenverb

iets plat neerzetten

Leg de sleutels maar op de tafel.
bovenpreposition

hoger dan

Wij wonen boven een winkel.
de tafelde · noun

meubel om aan te eten

Ik ben de tafel aan het afvegen.
het raamhet · noun

glas in de muur

Je hebt een raam open laten staan.
het kleedhet · noun

tapijt; tafelkleed

Er ligt een groot kleed op de vloer.
zachtadjective

niet hard

Ik slaap graag in een zacht bed.
de keukende · noun

kamer waar je kookt

We eten meestal in de keuken.
de tuinde · noun

stuk grond bij je huis met planten

De kinderen spelen in de tuin.
het dorphet · noun

kleine plaats op het platteland

Tom groeide op in een klein dorp.
de slaapkamerde · noun

kamer waar je slaapt

Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.
de ruimtede · noun

plaats

Deze bank neemt te veel ruimte in.
ruimadjective

met veel plaats; meer dan genoeg

Ons nieuwe huis is licht en ruim.
de katde · noun

huisdier dat miauwt

Ik heb een kat en een hond.
de kastde · noun

meubel om spullen in te bewaren

Wat zit er in de kast?
schoonadjective

niet vies

Ik maak elke maandag mijn kamer schoon.
de badkamerde · noun

kamer met een douche of bad

Er is een spin in de badkamer.
wassenverb

schoonmaken met water en zeep

Ik ben mijn handen vergeten te wassen.
verhuizenverb

naar een ander huis gaan wonen

Tom en Mary willen naar Australië verhuizen.
viesadjective

niet schoon; niet lekker

Waarom is mijn bril altijd zo vies?
de woningde · noun

een huis of flat waar je woont

Mijn woning is op de vierde verdieping.
het toilethet · noun

de wc

Ik moet even naar het toilet.
het appartementhet · noun

een woning in een groot gebouw

Ik woon in een heel klein appartement.
de woonkamerde · noun

de kamer waar je samen zit

Tom ligt in de woonkamer op de bank te slapen.
de vloerde · noun

waar je in huis op loopt

Tom zat naast Mary op de vloer.
schoonmakenverb

vuil weghalen

Ik moet de keuken nog steeds schoonmaken.
het balkonhet · noun

een plekje buiten aan een flat

Deze deur leidt naar het balkon.
de verdiepingde · noun

een laag van een gebouw

Mijn kantoor is op de vijfde verdieping.
inwonenverb

bij iemand in huis wonen

Ze woont nog bij haar ouders in.
de koelkastde · noun

kast die eten koud houdt

Er is geen bier in de koelkast.
het huishoudenhet · noun

het werk in huis; gezin

Tom en Mary waren de hele ochtend bezig met het huishouden.
het lawaaihet · noun

hard, vervelend geluid

Ik kan dit lawaai niet meer verdragen.
de douchede · noun

water van boven om je te wassen

Zij gaat elke ochtend onder de douche.
strijkenverb

kleren glad maken met een strijkijzer

Ze was haar jurk aan het strijken.
de flatde · noun

woning in een groot gebouw

Ik heb een flat gevonden.
poetsenverb

schoonmaken door te wrijven

Ik poets mijn tanden tweemaal per dag.
de makelaarde · noun

iemand die huizen verkoopt voor anderen

De makelaar laat ons vandaag drie huizen zien.
de wastafelde · noun

bak in de badkamer om je handen te wassen

Was je handen bij de wastafel.
kammenverb

met een kam door je haar gaan

Je bent je haar vergeten te kammen, Tom.
dichtdoenverb

sluiten

Wil je alsjeblieft het raam dichtdoen?
de kamde · noun

een ding om je haar mee te kammen

Ik heb mijn kam in de badkamer laten liggen.
het rijtjeshuishet · noun

huis in een rij van gelijke huizen

Wij wonen in een rijtjeshuis met een kleine tuin.
uitlatenverb

met de hond naar buiten gaan

Tom is de hond aan het uitlaten.
leegmakenverb

alles eruit halen

Wil jij de vaatwasser even leegmaken?
het ligbadhet · noun

groot bad waar je in kunt liggen

Het appartement heeft een douche maar geen ligbad.
de bergingde · noun

ruimte om spullen op te bergen

Mijn fiets staat in de berging.
het keukenblokhet · noun

kastjes met aanrecht en fornuis

Het huurhuis heeft een nieuw keukenblok.

Niveau A2

98 woorden

hoogadjective

ver boven de grond

Mijn gasrekening vorige maand was erg hoog.
hangenverb

vastzitten aan iets boven de grond

Er hangt een klok aan de muur.
de buurtde · noun

de omgeving waar je woont

Is er een geldautomaat in de buurt?
benedenadverb

onder; op de benedenverdieping

Hij klom uit de boom naar beneden.
de gangde · noun

smalle ruimte in een huis of gebouw

De wc is aan het eind van de gang.
de stoelde · noun

meubel om op te zitten

Er is nog maar één stoel over.
de muurde · noun

zijkant van een kamer of huis

Er hangt een klok aan de muur.
de trapde · noun

treden om naar boven te gaan

Neem de trap naar de tweede verdieping.
bouwenverb

een huis of iets anders maken

Ze zullen een huis voor je bouwen.
de sleutelde · noun

ding waarmee je een deur opent

Volgens mij ben ik mijn sleutels kwijt.
voerenverb

eten geven aan een dier

Ik ben vergeten mijn hond te voeren.
de kistde · noun

grote houten doos

Er zijn oude kleren in deze kist.
de belde · noun

iets dat rinkelt als je drukt

Ik hoorde de bel niet.
het touwhet · noun

dik lang koord

Maak het touw vast aan de boom.
het gebouwhet · noun

huis, kantoor of ander bouwwerk

Ik ben de eigenaar van dit gebouw.
dichtbijadverb

niet ver weg

De supermarkt is hier dichtbij.
de wasde · noun

kleren die gewassen moeten worden

Ik doe vandaag de was.
brandenverb

in vuur zijn; licht geven

Er brandt nog licht in de keuken.
het dakhet · noun

bovenkant van een huis

Het dak van mijn huis is rood.
de omgevingde · noun

de buurt rondom

Is er een jeugdherberg hier in de omgeving?
modernadjective

nieuw, van deze tijd

Het is een modern huis.
het slothet · noun

iets om een deur dicht te doen

Heb je de deur op slot gedaan?
de doosde · noun

vierkante bak van karton

Ik kan dingen in een doos steken.
opzettenverb

op het vuur zetten; opbouwen

Ik ga de ketel opzetten.
hurenverb

betalen om iets te mogen gebruiken

Ik zou graag een auto willen huren.
het kussenhet · noun

zacht ding voor je hoofd in bed

Ik slaap graag met twee kussens.
de lampde · noun

iets dat licht geeft

De lampen zijn aan in de keuken.
gravenverb

een gat in de grond maken

Heb je iets om mee te graven?
geschiktadjective

goed voor een bepaald doel

Dit huis is geschikt voor een gezin met kinderen.
kapotadjective

stuk; heel moe

Het lijkt erop dat het kapot is.
het houthet · noun

het materiaal van bomen

Dit oude huis is gemaakt van hout.
scherpadjective

kan goed snijden

Dit mes is niet scherp genoeg.
de eigenaarde · noun

van wie iets is

Is hij de eigenaar van die auto?
vlakbijadverb

heel dichtbij

Er is een park vlakbij mijn huis.
schuivenverb

over de grond duwen

Kun je je stoel een beetje naar links schuiven?
de hutde · noun

een klein eenvoudig huisje

Tom kon niemand in de hut vinden.
de/het stofde/het · noun

vuil poeder; materiaal voor kleding

Er ligt stof op de tafel.
de spiegelde · noun

glas waarin je jezelf ziet

Hang de spiegel aan de muur.
de plantde · noun

iets groens dat groeit

Vergeet niet de planten water te geven.
de buurde · noun

iemand die naast je woont

Tom is de zoon van mijn buur.
schilderenverb

met verf een kleur of plaatje maken

Tom is zijn slaapkamer aan het schilderen.
de poortde · noun

een grote deur in een muur of hek

Ik parkeerde mijn auto bij de poort.
rondadjective

zonder hoeken, als een cirkel

De tafel in onze keuken is rond.
de dekende · noun

warme doek op je bed

Ze heeft zich in een deken gewikkeld.
de schuurde · noun

klein gebouw om spullen te bewaren

Tom heeft een oude schuur gerestaureerd.
vegenverb

met een bezem schoonmaken

Vergeet niet de keuken te vegen.
de pijpde · noun

buis; iets om tabak in te roken

De pijp onder de gootsteen lekt.
de/het doekde/het · noun

stuk stof om schoon te maken

Maak het raam schoon met een vochtige doek.
het gordijnhet · noun

stof voor het raam

Een kat kwam vanachter het gordijn tevoorschijn.
verdelenverb

in delen geven

We kwamen overeen het huishoudelijk werk te verdelen.
de wcde · noun

toilet

Mag ik van uw wc gebruikmaken?
de schilderde · noun

iemand die verft of schilderijen maakt

De schilder komt morgen onze keuken verven.
aanrakenverb

met je hand voelen

Niet aanraken, de pan is nog heet!
blankadjective

wit, zonder verf

Deze kast is van blank hout.
verhogenverb

hoger maken

Ze kunnen je huur verhogen.
de rookde · noun

grijze lucht van vuur

Er kwam zwarte rook uit de schoorsteen.
de kelderde · noun

ruimte onder het huis

We hebben een vriezer in de kelder.
de stroomde · noun

elektriciteit; bewegend water

Heel de stad zat zonder stroom.
het apparaathet · noun

machine, bijvoorbeeld in de keuken

Waar wordt het apparaat voor gebruikt?
de elektriciteitde · noun

stroom

We kunnen niet werken zonder elektriciteit.
de haardde · noun

plek in huis voor een vuur

De klok hangt boven de open haard.
aantrekkelijkadjective

leuk om te hebben of te zien

Het huis heeft een aantrekkelijke prijs.
het badhet · noun

grote bak om je in te wassen

Is de kamer voorzien van een bad?
de voordeurde · noun

de deur aan de voorkant van het huis

Heb ik de voordeur op slot gedaan?
het gashet · noun

brandstof om mee te koken en te verwarmen

Tom controleerde of het gas uitgezet was.
het afvalhet · noun

dingen die je weggooit

Heb je het afval naar buiten gebracht?
openmakenverb

open doen

Kan iemand de deur openmaken alsjeblieft?
de rommelde · noun

wanorde, spullen die rondslingeren

Ik moet deze rommel opruimen.
vuiladjective

niet schoon

Tom heeft zijn handen vuil gemaakt.
op tafelphrase

bovenop de tafel

Tom stak de kaars op tafel aan.
de kaarsde · noun

staaf was met een lont

Ik wil dat je de kaars aansteekt.
opendoenverb

open maken

Mag ik mijn ogen nu opendoen?
opsluitenverb

ergens in doen en op slot doen

We sluiten de hond op als er bezoek komt.
bezittenverb

hebben, eigenaar zijn van

Hij bezit twee huizen in Utrecht.
ophangenverb

aan iets vastmaken; de telefoon neerleggen

Kun je je jas aan de kapstok ophangen?
dekkenverb

de tafel klaarmaken; bedekken

Mag ik de tafel dekken?
de bendede · noun

groep criminelen; rommel

Wat een bende is het in je kamer!
naaienverb

met naald en draad werken

Ze is een jurk aan het naaien.
de halde · noun

ruimte bij de voordeur

Je kunt je jas in de hal ophangen.
hakkenverb

met een bijl of mes in stukken slaan

Tom is brandhout aan het hakken.
het hekhet · noun

afscheiding van hout of metaal

Er loopt een hek langs de weg.
de/het koordde/het · noun

dik touw

Trek aan de koord, alstublieft.
de bewonerde · noun

iemand die ergens woont

De bewoners zijn aan het klagen.
aandoenverb

aanzetten; aantrekken

Zou u alstublieft het licht willen aandoen?
ideaaladjective

precies goed

Dit huis is ideaal voor een gezin met kinderen.
het ijzerhet · noun

een hard grijs metaal

Deze oude pan is van ijzer.
de kachelde · noun

apparaat om een kamer te verwarmen

Raak de kachel niet aan.
douchenverb

je wassen onder de douche

Ik was toen aan het douchen.
brommenverb

laag geluid maken; mopperen

De koelkast bromt de hele nacht.
opruimenverb

netjes maken

Wil je je kamer even opruimen?
het plafondhet · noun

bovenkant van een kamer

Ik zag een vlieg op het plafond.
de verfde · noun

gekleurde vloeistof om te schilderen

Je hebt wat verf op je neus.
de haakde · noun

een gebogen stukje metaal om iets aan te hangen

Hang je jas maar aan de haak.
smerigadjective

heel vies

Het bord is smerig.
de luciferde · noun

een houtje om vuur te maken

Ik stak de lucifer aan.
ergerenverb

boos worden over iets

Ik erger me aan het lawaai van de buren.
drogenverb

droog maken of worden

Tom gebruikte een handdoek om zijn haar af te drogen.
in elkaarphrase

als één geheel; samen

Hij zet de nieuwe kast zelf in elkaar.

Andere thema’s

Betekenissen gemaakt met hulp van AI · nog niet gecontroleerd Level data: NT2Lex (UCLouvain), CC BY-NC-SA 4.0. Example sentences: Tatoeba (CC BY 2.0 FR). Definitions and translations: EUpassway (AI-assisted).